ECLI:NL:CRVB:2026:640
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en zorgvuldigheid medisch onderzoek door UWV
Appellant, werkzaam als zorgverlener, meldde zich ziek met klachten aan zijn rechterschouder en betwistte de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van respectievelijk 39,81% per 22 april 2020 en 39,75% per 29 juni 2022. Hij stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen groter waren dan aangenomen.
De rechtbank Overijssel oordeelde eerder dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat appellant niet door een verzekeringsarts was onderzocht tijdens bezwaar en beroep. Het UWV voerde daarop een nieuw onderzoek uit waarbij appellant wel door een verzekeringsarts werd gezien. De rechtbank verklaarde het beroep toen ongegrond en handhaafde het besluit.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt over toegenomen beperkingen, onderbouwd met een brief van een fysiotherapeut. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, waarbij de verzekeringsarts alle relevante medische informatie, inclusief MRI-uitslagen en fysiotherapeutische rapporten, had betrokken. Er was geen medische grond voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.
De arbeidsdeskundige had op basis van de juiste belastbaarheid passende functies geselecteerd. De Raad concludeerde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een gedegen arbeidskundige beoordeling bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.