ECLI:NL:CRVB:2026:64

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
24/2224 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Wajong-uitkering op basis van laattijdige aanvraag en arbeidsvermogen

In deze zaak gaat het om de weigering van het Uwv om appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. De aanvraag werd afgewezen omdat het Uwv van mening was dat appellant op de datum van de aanvraag geen arbeidsvermogen had. In hoger beroep heeft het Uwv echter gesteld dat appellant in de periode van zijn achttiende tot zijn 23e jaar wel degelijk over arbeidsvermogen beschikte. De Raad voor de Rechtspraak heeft de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam bevestigd, waarin werd geoordeeld dat het Uwv terecht de aanvraag had afgewezen. De Raad oordeelde dat het Uwv voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing had voor zijn standpunt. De Raad heeft ook overwogen dat de laattijdige aanvraag van appellant van belang was voor de beoordeling van zijn recht op een Wajong-uitkering. De Raad concludeert dat appellant niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt, omdat hij in de relevante periode over arbeidsvermogen beschikte. De Raad heeft de proceskosten van appellant toegewezen aan het Uwv, omdat het Uwv in het hoger beroep een toereikende motivering heeft gegeven voor zijn besluit.

Uitspraak

24/2224 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2024, 24/1491 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 januari 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajonguitkering toe te kennen. In het bestreden besluit is de aanvraag afgewezen omdat het ontbreken van arbeidsvermogen op datum aanvraag niet duurzaam is geacht. In hoger beroep heeft het Uwv alsnog het standpunt ingenomen dat appellant op de dag dat hij achttien jaar is geworden en in de periode van vijf jaar daaropvolgend beschikte over arbeidsvermogen en appellant om die reden niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt. De Raad onderschrijft dit nadere standpunt van het Uwv en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Berkouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Appellant en mr. Berkouwer hebben via beeldbellen aan de zitting deelgenomen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1995, heeft met een door het Uwv op 31 maart 2023 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat sprake is van pijn, vermoeidheid, eetproblemen en psychische klachten. Bij de aanvraag is onder meer medische informatie gevoegd van de huisarts van 8 september 2021 en een Psychodiagnostisch onderzoek van 24 november 2022. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellant weliswaar per datum aanvraag geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 25 mei 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 2 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. Ook inhoudelijk heeft de rechtbank de beoordeling door het Uwv onderschreven. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv heeft kennisgenomen van de in beroep overgelegde medische stukken van eind 2023 en 2024. Het Uwv heeft met verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 juli 2024 te kennen gegeven dat er geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat geen enkele behandeling meer mogelijk is. Zo blijkt ook uit het rapport van de behandelend psycholoog van 27 mei 2024 dat er nog behandelmogelijkheden zijn. Daarmee heeft het Uwv volgens de rechtbank voldoende onderbouwd dat er nog mogelijkheden zijn om de basale werknemersvaardigheden te verbeteren.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het Uwv heeft onvoldoende rekening gehouden met de buikklachten van appellant. Verder lukt het traject bij de psycholoog niet door de buikklachten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant informatie van een verzekeringsarts ten behoeve van de gemeente van mei 2025 overgelegd, alsmede nadere informatie van zijn huisarts.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft daarbij opgemerkt dat onduidelijk is wanneer het arbeidsvermogen bij appellant verloren is gegaan. Het Uwv heeft in hoger beroep daarom alsnog onderzocht wanneer appellant zijn arbeidsvermogen heeft verloren. Op basis van rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 mei 2025 en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 juni 2025 heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellant op zijn achttiende verjaardag weliswaar beperkingen ondervond als gevolg van ziekte of gebrek, maar in de voor de Wajong relevante periode van [geboortedatum] 2013 (achttiende jaar) tot [geboortedatum] 2018 (23e jaar) beschikte over arbeidsvermogen. Omdat appellant zijn arbeidsvermogen na zijn 23e jaar is verloren voldoet hij volgens het Uwv niet aan de voorwaarden uit artikel 1a:1, eerste lid aanhef en onder a, en tweede lid, van de Wajong. Aan de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen op de datum van de aanvraag (31 maart 2023) duurzaam is, komt het Uwv daarom niet meer toe.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad onderschrijft de nadere motivering die het Uwv in hoger beroep aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1 van de Wajong. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat jonggehandicapte in de zin van hoofdstuk 1a de ingezetene is die: op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
4.1.1.
In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk wordt, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b (hierna: de vijfjaarstermijn).
4.1.2.
Op grond van het derde lid wordt de ingezetene die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft alsnog jonggehandicapte, indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij jonggehandicapte zou zijn geworden op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid, indien hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had.
4.1.3.
Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
4.2.
Het medisch en arbeidskundig onderzoek, dat aan het bestreden besluit ten grondslag lag, heeft zich uitsluitend gericht op de datum van de Wajong-aanvraag (31 maart 2023). Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant op die datum weliswaar niet beschikte over arbeidsvermogen, maar dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. Pas in hoger beroep heeft het Uwv nader onderzoek verricht naar het moment waarop het arbeidsvermogen bij appellant verloren is gegaan. Daarbij heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat appellant in de voor de Wajong relevante periode van het achttiende tot het 23e jaar beschikte over arbeidsvermogen. Aangezien appellant zijn arbeidsvermogen is kwijtgeraakt na zijn 23e jaar kan hij volgens het Uwv op de datum van zijn aanvraag niet als jonggehandicapte worden aangemerkt. De vraag of dit arbeidsvermogen op datum aanvraag duurzaam ontbreekt, kan daarbij volgens Uwv in het midden blijven.
4.3.
Over deze nadere standpuntbepaling van het Uwv, merkt de Raad het volgende op.
4.4.
In het geval van appellant is sprake van een zogeheten laattijdige aanvraag. Indien medisch en arbeidskundig onderzoek in zo’n situatie uitwijst dat een betrokkene op de datum van zijn laattijdige aanvraag niet beschikt over arbeidsvermogen, moet vervolgens worden bezien wanneer het arbeidsvermogen bij de betrokkene verloren is gegaan. Immers, indien het arbeidsvermogen verloren is gegaan
buiteneen voor de Wajong relevante periode dan kan de betrokkene op grond van artikel 1a:1, eerste of tweede lid, van de Wajong niet als jonggehandicapte worden aangemerkt en is de vraag naar de duurzaamheid op de datum van de laattijdige aanvraag niet relevant. Indien het arbeidsvermogen verloren is gegaan
binneneen voor de Wajong relevante periode, dan is de vraag naar de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen van belang voor eventuele (toekomstige) aanspraken van de betrokkene. Indien het Uwv vaststelt dat het arbeidsvermogen verloren is gegaan binnen een voor de Wajong relevante periode en de aanvraag meer dan tien jaar na dat moment is ingediend, dient het Uwv te beoordelen of de betrokkene op grond van artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong alsnog als jonggehandicapte moet worden aangemerkt.
4.5.
Gelet op het voorgaande heeft het Uwv in het geval van appellant terecht alsnog beoordeeld of appellant zijn arbeidsvermogen heeft verloren in een voor de Wajong relevante periode. Blijkens het verhandelde ter zitting is daarbij niet in geschil dat de voor de Wajong relevante periode voor appellant ligt tussen [geboortedatum] 2013 tot [geboortedatum] 2018, het achttiende en 23e jaar. De Raad zal allereerst het in hoger beroep ingenomen standpunt van het Uwv, dat appellant zijn arbeidsvermogen niet heeft verloren in de voor de Wajong relevante periode, beoordelen.
4.6.
Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.7.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich – na kennisneming van informatie van de huisarts – op het standpunt gesteld dat uit de beschikbare medische informatie niet blijkt, dat appellant in de relevante periode niet vier uur per dag belastbaar zou zijn, of niet een uur per dag aaneengesloten zou kunnen werken. Daartoe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 mei 2025 overwogen dat uit de informatie van de huisarts van 18 april 2025 blijkt dat in 2013 sprake is geweest van een dysthyme stoornis en problemen in de sociale omgeving. Verder had appellant rond zijn achttiende jaar last van darmklachten. De ernst van de beperkingen van appellant in de relevante periode is echter, gezien het verstrijken van de tijd, niet meer vast te stellen.
4.8.
Appellant heeft aangevoerd dat hij in de periode 2013 tot 2018 niet vier uur per dag activiteiten kon vervullen als gevolg van zijn medische situatie. Volgens appellant heeft het Uwv ten onrechte gesteld de ernst van de beperkingen niet te kunnen vaststellen, terwijl de huisarts melding heeft gemaakt van het bestaan van een dysthyme stoornis.
4.9.
De Raad volgt dit standpunt van appellant niet. De omstandigheid dat een diagnose is genoemd door de huisarts betekent niet dat daarmee zonder meer ook de beperkingen die daaruit voortvloeien kunnen worden vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 21 november 2025 nog eens toegelicht dat het voorstelbaar is dat appellant vanwege de dysthyme stoornis en de darmproblematiek moeite had met het omgaan met nieuwe dingen, stress, veranderingen, deadlines en onverwachte gebeurtenissen en dat een toilet in de nabije werkomgeving aanwezig moet zijn, maar dat er geen aanwijzingen zijn dat appellant in de betreffende periode niet vier uur per dag belastbaar was of niet een uur aaneengesloten kon werken. De beroepsgrond van appellant dat niet valt in te zien waarom de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel een knikmoment in de belastbaarheid heeft kunnen vaststellen in 2022, maar geen beperkingen in 2013, maakt de beoordeling niet anders. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 21 november 2025 toegelicht dat uit de informatie van de huisarts van 18 april 2025 blijkt dat de huisarts appellant in februari 2022 voor het eerst heeft gezien in verband met ernstige psychische problematiek. Daardoor is de medische situatie van appellant in 2022 goed in kaart gebracht en heeft het Uwv de beperkingen van appellant in 2022 wel kunnen vaststellen. De Raad ziet geen aanleiding deze toelichting van het Uwv niet te volgen.
Arbeidskundige beoordeling
4.10.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij rapport van 23 juni 2025 toegelicht dat appellant in de periode 2013 tot 2018 wel over basale werknemersvaardigheden beschikte en een taak (scannen) kon vervullen. In dat verband heeft de arbeidsdeskundige verwezen naar de opleidingen die appellant heeft gevolgd en de werkzaamheden die appellant in dienstverband heeft vervuld. Zo heeft appellant van 2009 tot 2021 gewerkt als krantenbezorger en in 2014 gedurende vijf maanden als ondersteuner/schoonmaker in een revalidatiecentrum. Van mei 2017 tot augustus 2018 heeft hij als postbezorger gewerkt. Aanwijzingen dat daarbij bijzonderheden speelden zijn er niet. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep komt dan ook tot de conclusie dat appellant in de periode 2013 tot 2018 over basale werknemersvaardigheden beschikte en in staat was een taak (scannen) uit te voeren.
4.11.
Appellant heeft aangevoerd dat het Uwv ten onrechte heeft geoordeeld dat hij in de periode 2013 tot 2018 over basale werknemersvaardigheden beschikt, gezien de gevolgde opleidingen en de duur van de dienstverbanden. Appellant stelt dat hij de opleidingen niet heeft afgemaakt en het Uwv ten onrechte niet heeft onderzocht waarom dat het geval is geweest. Verder hebben de dienstverbanden slechts vijftien maanden of minder geduurd.
4.12.
De beroepsgrond van appellant dat hij in de periode 2013 tot 2018 niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, slaagt niet. Daarvan heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 25 november 2025 voldoende toegelicht dat appellant door de dienstverbanden die hij in de periode 2013 tot 2018 heeft vervuld en de gevolgde opleidingen, in de praktijk heeft aangetoond in die periode over werknemersvaardigheden te beschikken. Hij kan in de betreffende periode in staat worden geacht instructies te begrijpen, onthouden en uit te voeren, en afspraken na te komen. Deze toelichting wordt niet onjuist geacht.
4.13.
Uit 4.1 tot en met 4.12 volgt dat het Uwv terecht tot de conclusie is gekomen dat appellant in de periode van zijn achttiende jaar tot zijn 23e jaar beschikte over arbeidsvermogen. Appellant is daarom niet als jonggehandicapte aan te merken en voldoet niet aan de voorwaarden voor een Wajonguitkering. De vraag of het ontbreken van het arbeidsvermogen duurzaam is, behoeft daarom geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het hoger beroep slaagt niet. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft. Gelet op 4.2 is het bestreden besluit pas in hoger beroep voorzien van een toereikende motivering waar het betreft de vraag of het arbeidsvermogen bij appellant in de periode van zijn achttiende tot zijn 23e jaar verloren is gegaan. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden moet worden bevestigd.
5.2.
De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.868.- in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-). In totaal is dit € 3.736,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.736,-;
- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep door appellant betaalde griffierecht van € 189,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) S.P.A. Elzer