Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
10 december 2024 [1] waarin de Raad een ruimere invulling dan voorheen heeft gegeven aan het begrip ‘dringende redenen’ als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet (PW) en gevraagd daarop te reageren. Daarnaast heeft de Raad het college verzocht om stukken toe te sturen die zien op onderzoeken naar het voeren van een gezamenlijke huishouding in de jaren 2013 en 2015.
OVERWEGINGEN
Inleiding
5 juli 2013 ook op het uitkeringsadres ingeschreven en huurde ook een kamer van de moeder van appellante. In 2019 is de moeder van appellante overleden. In datzelfde jaar heeft appellant de woning gekocht en huurde appellante een kamer van appellant in de woning. Appellanten hebben hiervoor op 29 november 2019 een nieuwe huurovereenkomst ondertekend.
11 mei 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 20 oktober 2022 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante beëindigd vanaf 11 mei 2022. De reden hiervoor is dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant op het uitkeringsadres.
1.6. Met een besluit van 12 januari 2023 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 30 juni 2022 en 25 augustus 2022 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren en dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door dat niet te melden. De nieuwe aanvraag is afgewezen op de grond dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel a, van de PW.
Het oordeel van de Raad
De beëindiging, intrekking en terugvordering
De terugvordering: dringende redenen om deels van terugvordering af te zien
4.8.1. Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Zoals de Raad in de onder het procesverloop genoemde uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
(€ 37.675,31 - € 16.033,47=) € 21.641,84 bruto.
€ 21.641,84 bruto.
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt aangevallen uitspraak 1;
- vernietigt aangevallen uitspraak 2;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 januari 2023 gegrond voor zover het de hoogte van de terugvordering en de medeterugvordering betreft;
- herroept de besluiten van 30 juni 2022 voor zover het de hoogte van de terugvordering en medeterugvordering betreft;
- stelt het bedrag van de terugvordering en de medeterugvordering vast op € 21.641,84 bruto en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde deel van het besluit van 12 januari 2023;
- veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 5.068,-;
- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.