ECLI:NL:CRVB:2026:604
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- G.C. Boot
- S.B. SmitColenbrander
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering ZW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband
Appellant ontving een ZW-uitkering vanaf 1 februari 2022 na een dienstverband bij een bedrijf. Het UWV stelde echter dat sprake was van een gefingeerd dienstverband en startte een onderzoek. Dit onderzoek wees uit dat appellant geen werkzaamheden had verricht en geen loon had ontvangen, waardoor geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond.
Het UWV trok de uitkering in en vorderde de onverschuldigd betaalde bedragen terug. Appellant maakte bezwaar en voerde onder meer aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat hij wel degelijk werkzaamheden had verricht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het aanvullend onderzoek buiten beschouwing vanwege onvoldoende waarborging.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. Het onderzoek van het UWV was zorgvuldig en toereikend. Appellant slaagde er niet in met objectief bewijs aannemelijk te maken dat er sprake was van een dienstbetrekking. Ook was er geen dringende reden om af te zien van intrekking en terugvordering. De Raad concludeerde dat het UWV terecht heeft gehandeld en bevestigde de uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de ZW-uitkering heeft ingetrokken en teruggevorderd wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.