Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:603

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
25/1548 TBSH
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2 TBSHArtikel 3 TBSHArtikel 3 ToescheidingsovereenkomstArtikel 7 ToescheidingsovereenkomstKaderwet SZW-subsidies Artikel 1
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tegemoetkoming ouderen Surinaamse herkomst wegens niet voldoen aan woonvoorwaarde TBSH

Betrokkene, geboren in 1948 in Suriname, woonde voor het eerst in 1971 in Nederland en keerde in juli 1975 terug naar Suriname, waar hij op de peildatum 25 november 1975 verbleef. Hij vroeg een tegemoetkoming aan op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH), maar deze werd afgewezen omdat hij niet uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland woonde met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst.

De rechtbank Amsterdam vernietigde deze afwijzing en oordeelde dat betrokkene vanwege zijn huwelijk met een Nederlandse vrouw een andere route had om de Nederlandse nationaliteit te behouden, waardoor het vasthouden aan de woonvoorwaarde in het TBSH onevenredig was. De minister ging hiertegen in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de voorwaarde dat iemand uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland moet zijn gaan wonen met het oog op de Toescheidingsovereenkomst een politieke afweging is die terughoudend getoetst moet worden. Betrokkene voldeed niet aan deze voorwaarde omdat hij op de peildatum in Suriname woonde en daardoor de Nederlandse nationaliteit verloor. Het feit dat hij later via artikel 7 van Pro de Toescheidingsovereenkomst de Nederlandse nationaliteit herkreeg, verandert hier niets aan.

De Raad stelt dat het TBSH zich richt op personen die bewust vóór de onafhankelijkheid van Suriname naar Nederland kwamen om hun Nederlandse nationaliteit te behouden. Betrokkene valt hier niet onder. De afwijzing van zijn aanvraag is niet onredelijk bezwarend en het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, waarmee de afwijzing in stand blijft.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om tegemoetkoming op grond van het TBSH wordt bevestigd omdat betrokkene op 25 november 1975 in Suriname woonde en niet voldeed aan de woonvoorwaarde.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1548 TBSH
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2025, 24/6679 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 21 mei 2026

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag om een tegemoetkoming op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst. Appellant woonde op de peildatum van 25 november 1975, toen Suriname onafhankelijk werd, in Suriname. Op zijn aanvraag is afwijzend beslist op de grond dat hij niet uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst. De Raad oordeelt dat deze afwijzing stand houdt. Deze voorwaarde in het TBSH en de uitleg daarvan door de minister kan in het algemeen de hier aan te leggen terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan en toepassing van deze voorwaarde is in het geval van appellant niet onredelijk bezwarend.

PROCESVERLOOP

Namens de minister is hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2026. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek, mr. R. de Regt, mr. G.E. Eind, en mr. P. van der Voorn. Betrokkene is in persoon verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene is op [geboortedatum] 1948 geboren in Suriname. In 1971 is hij in Europees Nederland gaan wonen voor werk en voor studie. Hij is in 1973 in Nederland gehuwd met een echtgenote met de Nederlandse nationaliteit. Dat huwelijk is in 1979 ontbonden. Op [datum] 1975 heeft hij een diploma gehaald aan de Rijks Middelbare landbouwschool te [plaats] . Vervolgens is hij in juli 1975 teruggekeerd naar Suriname, waar hij bleef tot hij in 1978 opnieuw naar Europees Nederland verhuisde. Uit het bevolkingsregister blijkt dat hij in maart 1981 de Nederlandse nationaliteit had. Rond augustus 1981 is hij weer verhuisd naar Suriname. Op 16 september 1981 heeft betrokkene op zijn verzoek de Surinaamse nationaliteit verkregen. In augustus 2002 is betrokkene naar Nederland verhuisd.
1.2.
Betrokkene ontvangt met ingang van oktober 2013 een AOW [1] -pensioen, waarop een korting van 64% is toegepast wegens afgerond 32 niet verzekerde jaren. Het betreft de tijdvakken van 29 oktober 1963 tot en met 8 oktober 1971, van 7 juli 1975 tot en met 22 december 1978 en van 1 augustus 1981 tot en met 1 augustus 2002
.
1.3.
Betrokkene heeft een tegemoetkoming aangevraagd op grond van het TBSH. [2] Met een besluit van 16 augustus 2024 heeft de minister de aanvraag afgewezen omdat betrokkene op de peildatum 25 november 1975 niet in Nederland woonachtig was.
1.4.
Met een besluit van 7 november 2024 heeft de minister het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het bedrag dat wordt verstrekt op grond van het TBSH wordt toegekend aan personen die met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst in Nederland zijn gaan wonen. Dit betekent dat iemand het risico moest lopen om de Nederlandse nationaliteit te verliezen als deze in Suriname zou blijven of, zoals in geval van betrokkene, daarnaartoe zou verhuizen voor 25 november 1975. Betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden omdat hij op 7 juli 1975 naar Suriname is teruggekeerd en tot 22 december 1978 in Suriname heeft gewoond en gewerkt, aldus de minister. Hij voldoet dus niet aan de voorwaarde dat hij uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, vermeld in artikel 3 van Pro het TBSH.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat betrokkene in aanmerking komt voor het eenmalige bedrag van € 5.000. Naar het oordeel van de rechtbank heeft betrokkene terecht gesteld dat hij vanwege zijn huwelijk met een Nederlandse vrouw niet omwille van het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit in Nederland hoefde te gaan wonen. Betrokkene had immers op grond van artikel 7 van Pro de Toescheidingsovereenkomst de mogelijkheid binnen vijf jaar te opteren voor het Nederlanderschap. Dat betekent dat betrokkene een andere mogelijkheid had om het in artikel 3 aanhef Pro en onder a van het TBSH bedoelde oogmerk, behoud van de Nederlandse nationaliteit, te bereiken dan in Nederland te gaan wonen. Noch uit de tekst van het TBSH noch uit de nota van toelichting kan worden afgeleid dat de regelgever met een situatie als die van betrokkene rekening heeft gehouden, terwijl evenmin is gebleken dat de regelgever heeft bedoeld mensen in deze situatie uit te sluiten van de regeling. De rechtbank is van oordeel dat het betrokkene niet valt te verwijten dat hij niet vóór 25 november 1975 naar Nederland is (terug)gekomen en dat dit hem dan ook niet kan worden tegengeworpen. Nu betrokkene op basis van de destijds geldende regelgeving gebruik kon maken van een andere bepaling uit de Toescheidingsovereenkomst om hetzelfde resultaat te bereiken (het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit) moet het onverminderd vasthouden aan de voorwaarde in artikel 3 aanhef Pro en onder a van het TBSH als onevenredig worden beschouwd. Verweerder had in dit concrete geval de voorwaarde buiten toepassing moeten laten. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het evenredigheidsbeginsel, aldus de rechtbank.
Het standpunt van de minister
3. De minister is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. De minister kan zich niet vinden in de overweging van de rechtbank dat het onverminderd vasthouden aan de voorwaarde van artikel 3 aanhef Pro en onder a van het TBSH in strijd is met het evenredigheidsbeginsel omdat betrokkene het Nederlanderschap kon behouden/herkrijgen op grond van artikel 7 van Pro de Toescheidingsovereenkomst zonder dat hij in Nederland woonde. De rechtbank heeft te indringend getoetst aan het evenredigheidsbeginsel door te oordelen dat betrokkene kan worden geacht onder de doelgroep van het eenmalige bedrag te vallen. Onder verwijzing naar de nota van toelichting bij het TBSH heeft de minister subsidiair erop gewezen dat het criterium dat een persoon uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst een weloverwogen politiek-bestuurlijke keuze is geweest. Anders dan de rechtbank overweegt, heeft de regelgever wel stil gestaan bij de situatie zoals van betrokkene, hetgeen blijkt uit de nota van toelichting. Ter zitting heeft de minister benadrukt dat het TBSH voorziet in een financieel gebaar zonder dat daartoe een juridisch bindende verplichting bestond en dat de doelgroep van het TBSH door de regelgever scherp en dwingend is afgebakend met objectieve criteria die eenvoudig zijn te hanteren om zo ongewenste uitbreidingen van de doelgroep te voorkomen en een snelle uitvoering van het TBSH te bevorderen. Gelet op die context ziet de minister geen ruimte om uitzonderingen te maken op de vereisten van artikel 3 van Pro het TBSH.
Het standpunt van betrokkene
4. Betrokkene heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Hij heeft benadrukt dat het gaat om het behoud van zijn nationaliteit na de onafhankelijkheid en niet om de voorwaarden die door de minister achteraf zijn vastgesteld; te weten dat de betrokkene op 25 november 1975 in Nederland aanwezig moet zijn. Dit is bovendien is niet in berichtgeving te achterhalen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit tot afwijzing van de tegemoetkoming heeft vernietigd aan de hand van wat de minister in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Juridisch kader
5.1.
Op 1 juni 2024 is het TBSH in werking getreden. Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de Algemene Ouderdomswet is opgebouwd, en de politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen. Dit is bepaald in artikel 2 van Pro het TBSH.
5.2.
Iemand heeft recht op € 5.000,- als gebaar van erkenning voor ervaren onrecht, indien hij of zij:
uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;
voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;
ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en
op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.
Dit is bepaald in artikel 3 van Pro het TBSH.
Uitleg en toepassing van onderdeel a van artikel 3 van Pro het TBSH
5.3.
Tussen partijen is in geschil of betrokkene voldoet aan de voorwaarde dat hij uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, zoals artikel 3, aanhef en onder a van het TBSH vereist. Daarbij staat vast dat betrokkene vóór 25 november 1975 in Nederland is komen wonen en dat hij, eveneens vóór 25 november 1975, weer naar Suriname is teruggekeerd, en dat hij op de peildatum zelf in Suriname woonde.
5.4.
Ter zitting heeft de minister toegelicht dat artikel 3, aanhef en onder a van het TBSH zo wordt uitgelegd, dat voor het recht op een tegemoetkoming is vereist dat iemand in ieder geval uiterlijk 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen. Het wordt iemand niet tegengeworpen als hij op 25 november 1975 weer buiten Nederland woonde, mits niet in Suriname. Als de betrokkene op 25 november 1975 (weer) in Suriname woonde heeft hij volgens de minister geen recht op de tegemoetkoming. Dat volgt volgens de minister uit het vereiste dat iemand in Nederland is gaan wonen “met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst”. Die overeenkomst verbond immers aan het wonen in Suriname op de peildatum het gevolg dat men de Surinaamse nationaliteit verkreeg. Dat staat in de weg aan het toekennen van de tegemoetkoming. Aan betrokkene wordt daarom in dit geval tegengeworpen dat hij in Suriname woonde op 25 november 1975. Hierover wordt als volgt overwogen.
5.5.
In het TBSH is ervoor gekozen om de tegemoetkoming toe te kennen aan ouderen van Surinaamse herkomst die voor de onafhankelijkheid van Suriname – 25 november 1975 – bewust de keuze hebben gemaakt om naar Nederland te komen. In de nota van toelichting is in aanvulling op artikel 2 het Pro doel van het TBSH als volgt uiteengezet.
“Met de vaststelling dat geen aansluiting gevonden kan worden bij het stelsel van de AOW bleef een politiek-bestuurlijke wens bestaan om een gebaar te maken naar deze groep ouderen van Surinaamse herkomst met een groot en langlopend gevoel van onrechtvaardigheid. Het kabinet wil dit vormgeven met een eenmalig bedrag als gebaar van erkenning. Dit gebaar ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep. Het gaat daarbij om de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, en de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de Toescheidingsovereenkomst. Betrokkenen hebben welbewust de keuze gemaakt om naar Nederland te komen, omdat zij zich Nederlander voelden,
en Nederlander wilden blijven. [3] Bij de betrokkenen is daarbij de verwachting ontstaan ook recht op volledige AOW te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de AOW is opgebouwd. Het onrecht dat deze groep hierdoor ervaart, wordt versterkt door de verwachtingen waarmee zij naar Nederland zijn gekomen. Zij maakten namelijk op basis van die verwachtingen een levensbepalende keuze. Daarnaast bestaat er een politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen. Het gebaar wil recht doen aan de gevoelens die als gevolg van deze samenloop van omstandigheden leven bij deze groep, en ziet nadrukkelijk niet op een vorm van vereffening van het AOW-gat van Surinaamse ouderen.” [4]
Daarnaast is in de nota van toelichting uiteengezet:
“Er zijn Surinaamse ouderen na de onafhankelijkheid naar Nederland gekomen. Zij vallen niet onder de doelgroep van het gebaar. Hiervoor is gekozen omdat deze groep, anders dan de groep die recht heeft op het eenmalige bedrag, niet direct gehandeld heeft toen Suriname onafhankelijk werd, inmiddels de Surinaamse nationaliteit had verkregen en feitelijk van buiten het Koninkrijk naar Nederland is verhuisd.” [5]
5.6.
In de nota van toelichting is verder uiteengezet dat met de woorden “met het oog op de Toescheidingsovereenkomst” bedoeld is het volgende af te bakenen.
“Verder is een voorwaarde om in aanmerking te komen voor het eenmalige bedrag dat iemand zich vanuit Suriname in Nederland heeft gevestigd in verband met de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst. Aan deze voorwaarde wordt alleen voldaan door mensen die de Nederlandse nationaliteit zouden verliezen door in Suriname te blijven. De Toescheidingsovereenkomst regelde immers dat wie in Suriname zou blijven wonen, de Surinaamse nationaliteit zou verkrijgen. Mensen die bijvoorbeeld in Nederland geboren waren en destijds in Suriname woonden en bijvoorbeeld werkten als expat, liepen dat risico niet. Met deze voorwaarde wordt gestipuleerd dat mensen die zich om andere redenen, bijvoorbeeld omdat ze eerder al in Nederland woonden, en tijdelijk in Suriname woonachtig zijn geweest, in dezelfde periode vanuit Suriname in Nederland vestigden niet in aanmerking komen voor het eenmalige bedrag.” [6]
5.7.
De Raad concludeert uit de geciteerde passages en de toelichting van de minister dat voor de toepassing van artikel 3, aanhef en onder a van de TBSH wordt getoetst of de betrokkene, ten eerste, uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, en ten tweede, op 25 november 1975 niet in Suriname woonde of verbleef. Uit de nota van toelichting volgt dat de regelgever met de voorwaarde dat de persoon uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het oog heeft gehad op personen die de Nederlandse nationaliteit hebben willen behouden en deze van rechtswege zouden hebben verloren als zij op dat moment in Suriname woonden of werkelijk verblijf hadden. Alleen deze personen voldoen dan ook aan het vereiste dat zij “met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst” naar Nederland zijn gekomen. Ouderen van Surinaamse herkomst die op een later moment dan 25 november 1975 naar Nederland zijn gekomen, vallen niet onder de doelgroep. De Raad acht de wijze van toetsing door de minister, tegen deze achtergrond, geen onjuiste uitleg van artikel 3, sub a in samenhang met artikel 2 van Pro het TBSH. Voor betrokkene betekent dit het volgende.
5.8.
Op 25 november 1975 woonde betrokkene niet in Nederland, maar in Suriname. Uit artikel 3 van Pro de Toescheidingsovereenkomst [7] volgt dat alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hadden, de Surinaamse nationaliteit verkregen. Dit betekent dat betrokkene op grond van deze bepaling van rechtswege de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen op 25 november 1975 en de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. Dit betekent dat betrokkene niet voldoet aan artikel 3, aanhef en onder a van het TBSH. Betrokkene is niet naar Nederland gekomen met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst. Om het Nederlanderschap te behouden had hij in Nederland moeten blijven, althans niet weer in Suriname moeten zijn gaan wonen.
5.9.
Aan het gestelde in 5.8 doet niet af dat, naar de Raad begrijpt, betrokkene op grond van zijn huwelijk gebruik heeft gemaakt van artikel 7, eerste lid, van de Toescheidingsovereenkomst om de Nederlandse nationaliteit te herkrijgen. Dit artikellid bepaalt dat indien ingevolge de overeenkomst de nationaliteit van een echtgenoot wordt gewijzigd, elk der echtelieden de bevoegdheid heeft de nationaliteit van de andere echtgenoot te verkrijgen door binnen vijf jaar na die wijziging de wil daartoe te kennen te geven, mits de echtelieden op de dag van de kennisgeving beiden woonplaats of werkelijk verblijf hebben in hetzelfde land.
5.10.
Betrokkene heeft betoogd dat hij – anders dan uiteengezet in 5.8 – het Nederlanderschap niet heeft verloren op 25 november 1975. Wat daar ook van zij, zelfs als betrokkene op dit punt zou worden gevolgd, zou dat meebrengen dat hij blijkbaar geen risico liep het Nederlanderschap van rechtswege te verliezen als hij op die datum in Suriname woonde. De Raad concludeert dat betrokkene ook langs deze weg geredeneerd niet voldoet aan het vereiste dat hij “met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst” naar Nederland is gekomen.
Exceptieve toetsing
5.11.
Vervolgens rijst de vraag of artikel 3, onderdeel a, van het TBSH, zoals hierboven uitgelegd, aan betrokkene mag worden tegengeworpen. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de minister niet mocht vasthouden aan deze voorwaarde omdat betrokkene gebruik kon maken van een andere bepaling uit de Toescheidingsovereenkomst om hetzelfde resultaat te bereiken (de Nederlandse nationaliteit). Naar het oordeel van de rechtbank is het in het bestreden besluit onverminderd vasthouden aan de voorwaarde in artikel 3, aanhef en onder a van het Tijdelijk besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Daarbij weegt volgens de rechtbank mee dat noch uit de tekst van het TBSH, noch uit de nota van toelichting kan worden afgeleid dat de regelgever met een situatie als die van betrokkene rekening heeft gehouden, terwijl evenmin is gebleken dat de regelgever heeft bedoeld mensen in deze situatie uit te sluiten van de regeling.
5.12.
Voor de intensiteit van de rechterlijke toets verwijst de Raad naar de uitspraak van 9 april 2026. [8] Daarin is overwogen dat het TBSH, met inbegrip van de daarin opgenomen criteria die de grens bepalen tussen personen die wel, en personen die geen aanspraak kunnen maken op de tegemoetkoming, bij uitstek het resultaat is van een politiekbestuurlijke afweging. Bij het toetsen van die criteria aan het evenredigheidsbeginsel geldt dan ook een zeer terughoudende rechterlijke benadering als omschreven in de uitspraak van de Raad van 18 april 2024. [9] Deze terughoudendheid vindt, zoals in die uitspraak overwogen, zijn grens waar fundamentele rechten aan de orde zijn waarop de betrokkene zich bij de rechter rechtstreeks kan beroepen.
5.13.
Het voorgaande betekent dat de voorwaarde dat iemand uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen “met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst”, alleen onverbindend kan worden verklaard als deze zeer duidelijk ongeschikt of niet noodzakelijk is het om het in artikel 2 van Pro het TBSH omschreven doel te bereiken. Dat is naar oordeel van de Raad niet het geval. De Raad is met de minister van oordeel dat de regelgever duidelijk heeft gemaakt dat de doelgroep personen omvat die naar Nederland moesten komen, met het doel de Nederlandse nationaliteit te behouden en het van rechtswege verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit te voorkomen. Met deze uitleg heeft de regelgever een objectiveerbare maatstaf aangelegd die aansluit bij de Toescheidingsovereenkomst. De Raad is verder met de minister van oordeel dat de regelgever een situatie als die van betrokkene onder ogen heeft gezien en zich bewust heeft willen beperken tot personen die het risico liepen het Nederlanderschap van rechtswege te verliezen als zij in Suriname zouden blijven wonen. Dat blijkt uit hetgeen hiervoor is geciteerd uit de nota van toelichting. Daaraan wordt nog het volgende citaat uit de nota van toelichting toegevoegd.
“Het kabinet sluit bij de afbakening van de doelgroep voor het eenmalige bedrag ten dele aan bij de doelgroep die de commissie Sylvester in haar advies heeft afgebakend, met name daar waar het gaat om de bewuste keuze van ouderen uit deze groep voor Nederland met het oog op de onafhankelijkheid van Suriname. Er zijn Surinaamse ouderen na de onafhankelijkheid naar Nederland gekomen. Zij vallen niet onder de doelgroep van het gebaar. Hiervoor is gekozen omdat deze groep, anders dan de groep die recht heeft op het eenmalige bedrag, niet direct gehandeld heeft toen Suriname onafhankelijk werd, inmiddels de Surinaamse nationaliteit had verkregen en feitelijk van buiten het Koninkrijk naar Nederland is verhuisd.” [10]
5.14.
De Raad verwijst verder naar de volgende passage uit het Commissiedebat over de eenmalige tegemoetkoming:
“In de Toescheidingsovereenkomst is gesteld dat het moment waarop de mensen bij de onafhankelijkheid vanuit Suriname naar Nederland kwamen, hét moment was waarop ze die keuze moesten maken. Dat is ook waar wij hier op aansluiten. Wij pakken dus niet de 1980-grens, omdat wij aansluiten bij die regeling en zeggen: dat was het moment waarop je bewust de keuze moest maken, als onderdeel van de unieke omstandigheden die ik net heb geformuleerd en die de commissie-Sylvester ook heeft geformuleerd. Dat is ook de onderbouwing waarom we nu het gebaar van erkenning voor deze groep willen maken. Het criterium is dus: werd je op het moment van de onafhankelijkheid Nederlander en niet Surinamer, en dat is voor zover ik heb begrepen ook afgesproken in de Toescheidingsovereenkomst. Daar zat een overgangsbepaling van vijf jaar in. Daar heeft de heer Van Baarle gelijk in. Maar wij hebben hierbij gekeken naar die unieke samenloop van omstandigheden, ook kijkend naar het rapport van de commissie-Sylvester, en het moment waarop de bewuste keuze is gemaakt om het Nederlanderschap te verkrijgen.” [11]
Artikel 3, onderdeel a, van het TBSH, zoals hierboven uitgelegd, doorstaat de toets aan het evenredigheidsbeginsel. Dat ook andere afbakeningen van de doelgroep denkbaar zijn in het licht van de bepalingen van de Toescheidingsovereenkomst maakt dat, gelet op de zeer terughoudende toets die de rechter dient te verrichten, niet anders.
Rechtstreekse toetsing van het bestreden besluit aan het evenredigheidsbeginsel
Met het bestreden besluit heeft de minister toepassing gegeven aan artikel 3, sub a, van het TBSH. Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Daarom moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst leidt. Hiervan is sprake als het besluit in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is. Betrokkene heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld die leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit voor hem onredelijk bezwarend is.

Conclusie en gevolgen

5.15.
Het hoger beroep van de minister slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad zal het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om de tegemoetkoming in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep slaagt hoeft de minister geen griffierecht te betalen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 7 november 2024 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Kaderwet SZW-subsidies
Artikel 1, eerste lid
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of Onze Minister die belast is met de zorg voor een of meer onderdelen van het beleid, genoemd in artikel 2.
Artikel 2
Onze Minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in:
het werkgelegenheidsbeleid en het arbeidsmarktbeleid;
het arbeidsomstandighedenbeleid;
het arbeidsverhoudingenbeleid;
het inkomensbeleid;
het socialezekerheidsbeleid;
het kinderopvangbeleid;
het inburgeringsbeleid en het integratiebeleid.
Het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst is een regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies.
Artikel 3, eerste lid
Onverminderd hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister terzake van de verstrekking van subsidieregels worden gesteld met betrekking tot:
a. de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt en wie daarvoor in aanmerking komt;
b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;
c. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover;
d. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;
e. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;
f. de vaststelling van de subsidie;
g. intrekking en wijziging van de subsidieverlening of -vaststelling;
h. de betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten;
i. andere criteria voor de verstrekking van subsidie.
Artikel 9
Deze wet is, met uitzondering van artikel 3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op spoedeisende, tijdelijke verstrekking door Onze Minister van aanspraken op financiële middelen, niet zijnde subsidies, behoudens indien die aanspraak wordt verstrekt krachtens een andere wet.
Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst
Artikel 2 Doel Pro van het besluit
Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheids-proces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de Algemene Ouderdomswet is opgebouwd, en de politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen.
Artikel 3V
oorwaarden recht op eenmalig bedrag
Een persoon heeft recht op een eenmalig bedrag, indien deze:
a. uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;
voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;
ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en
op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.
Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname
Artikel 3
De Surinaamse nationaliteit verkrijgen alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben.
Artikel 5
1. Meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren of die, buiten Suriname geboren zijnde, behoren tot een van de in artikel 4 onder Pro b omschreven groepen van personen en die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst buiten de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben, verkrijgen, ook buiten de Republiek Suriname, de Surinaamse nationaliteit door voor 1 januari 1986 hun wil daartoe te kennen te geven.
2. De in het eerste lid bedoelde personen hebben het recht te allen tijde met hun gezin onvoorwaardelijk tot de Republiek Suriname te worden toegelaten en daar in alle opzichten als Surinamer te worden behandeld. Zij verkrijgen van rechtswege de Surinaamse nationaliteit, indien zij gedurende twee jaren in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben.
3. De echtgenoten en de voor het jaar 2001 geboren kinderen adoptief-kinderen daaronder begrepen, van de in het eerste lid bedoelde personen hebben eveneens het recht op de voet van het tweede lid onvoorwaardelijk tot de Republiek Suriname te worden toegelaten.
4. Aan de in de voorgaande leden bedoelde personen kunnen, zolang zij het Nederlanderschap bezitten, geen rechten worden verleend of verplichtingen worden opgelegd welke onverenigbaar zijn met het Nederlanderschap.
Artikel 7
1. Indien ingevolge deze Overeenkomst de nationaliteit van een echtgenoot wordt gewijzigd, heeft elk der echtelieden de bevoegdheid de nationaliteit van de andere echtgenoot te verkrijgen door binnen vijf jaar na die wijziging de wil daartoe te kennen te geven, mits de echtelieden op de dag van de kennisgeving beiden woonplaats of werkelijk verblijf hebben in hetzelfde land.
2. Personen als in het eerste lid bedoeld die een kennisgeving als daar bedoeld hebben gedaan, herkrijgen na de ontbinding van het huwelijk of de nietigverklaring daarvan de nationaliteit die zij onmiddellijk voor het doen van die kennisgeving bezaten, door binnen drie jaar na de ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk hun wil daartoe te kennen te geven.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
2.Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst.
3.Cursief CRvB.
4.Besluit van 6 oktober 2023, houdende de toekenning van een eenmalig bedrag aan ouderen van Surinaamse herkomst, Stb. 2023, 386, nota van toelichting, p. 7.
5.Besluit van 6 oktober 2023, houdende de toekenning van een eenmalig bedrag aan ouderen van Surinaamse herkomst, Stb. 2023, 386, nota van toelichting, p. 8.
6.Besluit van 6 oktober 2023, houdende de toekenning van een eenmalig bedrag aan ouderen van Surinaamse herkomst, Stb. 2023, 386, nota van toelichting, p. 9.
7.Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname; gesloten te Paramaribo, 25 november 1975, Trb. 1975, 132.
10.Besluit van 6 oktober 2023, houdende de toekenning van een eenmalig bedrag aan ouderen van Surinaamse herkomst, Stb. 2023, 386, nota van toelichting, p. 8.
11.Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 20 361, nr. 220, p. 33 e.v.