1.4.Bij besluit van 7 december 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het feit dat er een vaststellingovereenkomst is gesloten niet betekent dat het Uwv onrechtmatig jegens appellant heeft gehandeld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat met het niet handhaven van de drie besluiten na mediation, de onrechtmatigheid van die besluiten nog niet vaststaat. De reden waarom het Uwv van de drie besluiten is teruggekomen is namelijk onbekend, wat bij mediation vaak het geval is, en het Uwv heeft ook anderszins de onrechtmatigheid van de drie besluiten niet erkend. Dit betekent in beginsel dat de rechtbank zich hierover een oordeel zou moeten vormen. De rechtbank heeft daar vanaf gezien, omdat zij van oordeel is dat, ook al zouden de drie besluiten als onrechtmatig moeten worden aangemerkt, de gevorderde schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt. Wat betreft het gevorderde bedrag van € 10.000,- is ter zitting vastgesteld dat het gaat om geldschulden die appellant heeft gemaakt in de periode van 1 september 2019 tot en met maart 2020. Daarop heeft het besluit van 15 februari 2022, waarbij is beslist geen Wajong-uitkering uit te betalen over de periode van 1 september 2019 tot en met 13 januari 2020, betrekking. De gestelde schade kan echter geen gevolg zijn geweest van dit besluit, omdat appellant pas op 12 maart 2020 bij het Uwv een wijzigingsformulier heeft ingediend met het verzoek om hem met terugwerkende kracht weer een Wajong-uitkering toe te kennen. Met een besluit van 24 maart 2020 heeft het Uwv beslist op dit verzoek en is appellant per 1 april 2020, niet met terugwerkende kracht, een voorschot toegekend. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt, zodat de rechtmatigheid daarvan vaststaat. Dat appellant nadien nog meerdere keren heeft verzocht om uitbetaling van Wajong-uitkering per 1 september 2019, waarop dan uiteindelijk is besloten bij besluit van 15 februari 2022, maakt niet dat de schulden die op dat moment al lang daarvoor zijn gemaakt, aangemerkt kunnen worden als een gevolg van dat besluit of de lange duur voordat het besluit is genomen. De gestelde schade doordat appellant door de nabetaling van de Wajong-uitkering meer loonheffing heeft moeten betalen, heeft de rechtbank aangemerkt als belastingschade. De rechtbank heeft niet uitgesloten dat appellant belastingschade heeft geleden door de nabetaling van de Wajong-uitkering. Van een concreet en onderbouwd verzoek, waarbij een uitgewerkte opgave van de beweerdelijk geleden belastingschade wordt verstrekt,is echter geen sprake. Niet is verder gebleken dat appellant de Belastingdienst heeft verzocht om middeling of om de uitsmeerregeling toe te passen op grond waarvan de omvang van de schade kan verminderen of zelfs tot nihil kan worden teruggebracht. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen gronden aanwezig de gestelde belastingschade te vergoeden. Wat betreft de verzochte immateriële schade, heeft de rechtbank vooropgesteld dat zij zich kan voorstellen dat appellant door de verschillende procedures waarin hij vanaf 2020 verwikkeld is geraakt met het Uwv, gefrustreerd en boos is. Ook wenst de rechtbank met haar oordeel niet af te doen aan de lichamelijke en psychische klachten die appellant heeft ervaren en nog steeds ervaart. Het is echter aan de rechtbank om te beoordelen of de drie besluiten ‘aantasting in de persoon’ tot gevolg hebben gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Uit het huisartsjournaal blijkt dat appellant zich op 13 april 2021 tot zijn huisarts heeft gewend met spanningsklachten met slaapproblemen tot gevolg. De huisarts heeft appellant hiervoor medicatie voorgeschreven en hem verwezen naar een psycholoog. Als oorzaak van de spanningsklachten worden echter het faillissement van de Stichting en een ongeluk dat appellant in 2015 is overkomen, genoemd en niet de problemen met het Uwv. In de daarop volgende maand worden op 12 mei en 25 mei 2021 twee consulten vermeld, waarin de psychische klachten meer uitgebreid worden beschreven en met name het ongeluk in 2015 als traumatische ervaring wordt genoemd. Daarnaast wordt benoemd dat appellant weinig tot geen steun ondervindt en dat iedereen hem laat vallen, waarbij de politie als zodanig wordt genoemd. Het volgende consult dat wordt beschreven vindt plaats op 16 februari 2022, waarin problemen met het Uwv wel worden genoemd. Ook blijkt dat appellant op dat moment al antidepressiva slikt. De rechtbank is van oordeel dat als er in 2021 en begin 2022 al sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, dit niet of niet in overwegende mate kan worden toegeschreven aan de drie besluiten. Uit de betrokken passages uit het journaal van de huisarts blijkt dat appellant in die periode psychisch veel last had van een ongeluk dat hem in 2015 is overkomen en het faillissement van de Stichting. Daarbij komt dat appellant in de genoemde periode ook andere dan de betreffende drie besluiten van het Uwv heeft ontvangen, te weten het besluit van 13 januari 2021, waarbij zijn bezwaren ongegrond zijn verklaard tegen de weigering van een uitkering wegens betalingsonmacht, de besluiten van 9 september 2021 inzake de weigering zijn Wajong-uitkering te verhogen en het besluit van 9 februari 2022, waarbij de bezwaren van appellant tegen deze weigering ongegrond zijn verklaard.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het oordeel van de rechtbank dat met het niet handhaven van de besluiten na mediation de onrechtmatigheid van de drie besluiten niet is komen vast te staan, is volgens appellant onjuist. Hij handhaaft dan ook zijn standpunt dat hij als gevolg van deze onrechtmatige besluiten materiële schade heeft geleden, omdat hij geldschulden heeft moeten maken doordat hem een tijd lang een Wajong-uitkering is onthouden. In dit verband heeft appellant gesteld dat schade ook voor vergoeding in aanmerking kan komen als deze het gevolg is van het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Wat betreft de belastingschade heeft appellant aangevoerd dat het aan Uwv is om ervoor te zorgen dat deze schade aan hem wordt vergoed, omdat appellant geen fiscale kennis heeft. Appellant heeft tot slot ook recht op een immateriële schadevergoeding. De rechtbank heeft miskend dat deze schadevergoeding ook aan de orde is als sprake is van het geschaad zijn in eer of goede naam. Dat is in het geval van appellant van toepassing, omdat hij door het Uwv verdacht werd van fraude en op 16 juli 2020 als verdachte is gehoord, wat appellant als zeer intimiderend en vernederend heeft ervaren. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een verklaring van maart 2026 van [naam] ingebracht, mede oprichter van de Stichting.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.