Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:543

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
24/224 WAD
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 4:6 AwbArtikel 115 AMAR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning financiële compensatie wegens informele functiewaarneming en overschrijding redelijke termijn

Betrokkene, militair bij de Koninklijke Marechaussee, verzocht om een financiële compensatie met terugwerkende kracht omdat hij vanaf 1 augustus 2018 dezelfde werkzaamheden verrichtte als een hogere functie. De staatssecretaris wees dit verzoek aanvankelijk af, maar verklaarde het bezwaar gegrond zonder terugwerkende kracht toe te kennen. De rechtbank oordeelde dat sprake was van informele waarneming vanaf 1 januari 2019 en stelde de compensatie ingangsdatum daarop vast.

De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat er geen sprake was van informele waarneming en dat het verzoek een terugkomen op een in rechte vaststaand besluit betrof. De Raad oordeelde dat de staatssecretaris deze grondslag in bezwaar bewust had prijsgegeven en dat het opnieuw aanvoeren daarvan in hoger beroep in strijd is met de goede procesorde. Daarom werd het hoger beroep afgewezen.

Daarnaast werd een schadevergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, die meer dan vier jaar duurde. De Raad veroordeelde de Staat tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van betrokkene, en legde een griffierecht op aan de staatssecretaris.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt afgewezen en betrokkene krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/224 WAD
Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 juni 2023 (aangevallen tussenuitspraak) en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 december 2023, 22/4577 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)
Datum uitspraak: 29 april 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de toekenning van een financiële compensatie. Het hoger beroep van de staatssecretaris slaagt niet. De staatssecretaris heeft in beroep de grondslag van het bestreden besluit bewust en ondubbelzinnig prijsgegeven. Het in hoger beroep opnieuw aanvoeren daarvan is in strijd met de goede procesorde. Betrokkene krijgt een schadevergoeding van de Staat vanwege het overschrijden van de redelijke termijn.

PROCESVERLOOP

De staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. P. de Casparis een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2026, tezamen met de zaken 24/173 WAD en 24/221 WAD. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. van der Weijden. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. P.A.M. Staal.
Ter zitting heeft betrokkene verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM [1] . In verband met dit verzoek is de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene is aangesteld als militair bij de Koninklijke Marechaussee. Met een besluit van 15 juni 2018 is aan betrokkene met ingang van 1 augustus 2018 de functie van [functie 1] toegewezen bij de Sectie [naam sectie] ([sectie]).
1.2.
Betrokkene heeft op 27 augustus 2021 verzocht om hem met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2018 een vergoeding toe te kennen ter grootte van het verschil tussen het salaris van zijn eigen functie en het salaris behorend bij de functie van [functie 2] . Volgens betrokkene wordt er bij de verdeling van de werkzaamheden en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden die daarbij horen in de praktijk geen onderscheid gemaakt tussen de functies van [functie 1] en [functie 2] en verricht hij vanaf 1 augustus 2018 dezelfde werkzaamheden als de [functie 2] .
1.3.
Met een besluit van 20 januari 2022 is het verzoek van betrokkene afgewezen.
1.4.
Met een besluit van 30 juni 2022 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 20 januari 2022 gegrond verklaard, in die zin dat betrokkene vanaf de datum van zijn verzoek (27 augustus 2021) een compensatie op grond van artikel 115 van Pro het AMAR [2] wordt toegekend alsof hij de functie van [functie 2] waarneemt. Voor het toekennen van een compensatie met terugwerkende kracht ziet de staatssecretaris geen aanleiding. Volgens de staatssecretaris is het verzoek van betrokkene een verzoek om terug te komen van in rechte vaststaande besluitvorming, waarop artikel 4:6 van Pro de Awb [3] van overeenkomstige toepassing is en de rechtspraak over duuraanspraken geldt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 2 juni 2023 overwogen dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Volgens de rechtbank is in dit geval de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2018 [4] van toepassing. Ook in het geval van betrokkene heeft pas achteraf besluitvorming plaatsgevonden over de informele waarneming en is over de financiële compensatie niet eerder een besluit genomen. Betrokkene had dit ook niet uit de salarisspecificaties hoeven opmaken. De staatssecretaris heeft dit ter zitting onderschreven en heeft erkend dat geen sprake is van een verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit, maar dat moet worden bezien vanaf welk moment sprake was van informele waarneming. De rechtbank ziet aanleiding om de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen te onderzoeken vanaf welke datum feitelijk sprake is van informele waarneming. Gelet op de stukken en op wat ter zitting is besproken, bestaan er aanwijzingen dat hier in ieder geval al voor 2020 sprake van was.
2.1.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de staatssecretaris met een aanvullend besluit van 9 augustus 2023 de ingangsdatum van de compensatie vastgesteld op 26 mei 2020. Dit is de datum waarop de leidinggevende van betrokkene heeft verzocht om naar de functiebeschrijvingen van beide functies te kijken.
2.2.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit en het aanvullende besluit van 9 augustus 2023 vernietigd voor wat betreft de daarin vermelde ingangsdatum. De rechtbank heeft verder het besluit van 20 januari 2022 herroepen en de ingangsdatum bepaald op 1 januari 2019. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek met het besluit van 9 augustus 2023 niet op de juiste wijze heeft hersteld. De staatssecretaris had moeten onderzoeken per welke datum aannemelijk is dat daadwerkelijk sprake is van informele waarneming. De rechtbank acht aannemelijk dat dit het geval was vanaf 1 januari 2019.
Het standpunt van de staatssecretaris
2. De staatssecretaris is het met de tussenuitspraak en de uitspraak van de rechtbank niet eens. De staatssecretaris heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat in deze zaak geen sprake is van een vorm van waarneming. De uitspraak van 18 oktober 2018 is daarom niet van toepassing. Bovendien is de motivering van laatstgenoemde uitspraak onjuist. Volgens de staatssecretaris vindt bij informele waarneming de besluitvorming juist wel in de regel vooraf plaats. Over de financiële compensatie is al beslist met de salarisstroken, waardoor het verzoek van betrokkene is aan te merken als een verzoek om terug te komen op een in rechte vaststaand besluit. In de uitspraak van de Raad van 1 maart 2018 [5] is de juiste lijn gevolgd.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak aan de hand van wat de staatssecretaris in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Het hoger beroep van de staatssecretaris
4.1.
Het staat een bestuursorgaan vrij om in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar de grondslag van een besluit te wijzigen. Het bestuursorgaan handelt echter in strijd met de goede procesorde als het de grondslag van het besluit vervangt door een grondslag die het bestuursorgaan in een eerdere fase van de procedure bewust en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven, zoals het ook in strijd is met de goede procesorde als een partij opnieuw een beroepsgrond aanvoert die hij eerder bewust en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven [6] . Een vergelijkbare situatie doet zich hier voor.
4.2.
Uit de aantekeningen van de zitting bij de rechtbank op 9 januari 2023 en de beslissing tot schorsing van het onderzoek ter zitting blijkt dat de gemachtigde van de staatssecretaris heeft verklaard dat het bestreden besluit niet juist is voor zover daaraan ten grondslag is gelegd dat sprake is van een verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit. Hierbij heeft de staatssecretaris expliciet erkend dat sprake is van informele waarneming en dat de benadering uit de uitspraak van 18 oktober 2018 moet worden gevolgd. Gelet hierop heeft de staatssecretaris de eerdere grondslag van het bestreden besluit bewust en ondubbelzinnig prijsgegeven. Onder deze omstandigheden handelt de staatssecretaris in strijd met de goede procesorde door in hoger beroep weer het standpunt in te nemen dat het verzoek van betrokkene moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit en dat geen sprake is van een vorm van waarneming. Aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden van de staatssecretaris komt de Raad daarom niet toe.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
5. Over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, overweegt de Raad als volgt.
5.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [7] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. Doorgaans is geen sprake van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden.
5.2.
Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door de staatssecretaris op 25 februari 2022 van het bezwaarschrift van betrokkene tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim twee maanden verstreken. Er is geen aanleiding om de redelijke termijn voor de procedure als geheel te stellen op een andere termijn dan vier jaar. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-.
5.3.
De overschrijding van de redelijke termijn is veroorzaakt door de te lange behandeling van het hoger beroep. Deze overschrijding komt voor rekening van de Staat.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
6.1.
Betrokkene krijgt een vergoeding voor zijn proceskosten De staatssecretaris zal worden veroordeeld in het betalen van een bedrag van € 1.868,- (1 punt voor het verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De Staat zal worden veroordeeld in het betalen van een bedrag van € 467,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
6.2.
Van de staatssecretaris zal een griffierecht van € 559,- worden geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan betrokkene van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 467,-;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.868,-;
  • bepaalt dat van de staatssecretaris een griffierecht van € 559,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) N. Gios

Voetnoten

1.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Algemeen militair ambtenarenreglement.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Zie de uitspraak van 18 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3274.
5.Zie de uitspraak van 1 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:595.
6.Zie de uitspraak van 20 oktober 2020, ECLI:NL:2020:2587.
7.Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.