Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:542

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
24/173 WAD
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 4:6 AwbArt. 4:104 AwbArt. 115 AMAR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning financiële compensatie voor informele waarneming militair

Betrokkene, militair bij de Koninklijke Marechaussee, verzocht om een vergoeding met terugwerkende kracht voor werkzaamheden die zij verrichtte in een hogere functie. De staatssecretaris wees dit verzoek aanvankelijk af, maar verklaarde het bezwaar gegrond vanaf de datum van het verzoek, zonder terugwerkende kracht toe te kennen. De rechtbank stelde de ingangsdatum van de compensatie op 1 januari 2019, maar betrokkene ging hiertegen in hoger beroep.

De staatssecretaris voerde in hoger beroep aan dat er geen sprake was van informele waarneming en dat het verzoek neerkwam op terugkomen van een in rechte vaststaand besluit, maar de Raad oordeelde dat de staatssecretaris deze grondslag eerder bewust had prijsgegeven, waardoor het beroep niet ontvankelijk was. De Raad volgde betrokkene in haar stelling dat de ingangsdatum eerder moest liggen, en stelde deze vast op 27 augustus 2016, mede op basis van verklaringen van collega’s en de erkenning van de staatssecretaris dat de functies in de praktijk overeenkwamen.

Daarnaast kende de Raad betrokkene een schadevergoeding toe van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De Raad veroordeelde de Staat en de staatssecretaris tot betaling van proceskosten en griffierechten. De uitspraak bevestigt de eerdere tussenuitspraak en vernietigt het eerdere besluit voor zover de ingangsdatum van de compensatie op 1 januari 2019 was vastgesteld.

Uitkomst: De ingangsdatum van de financiële compensatie wordt vastgesteld op 27 augustus 2016 en betrokkene krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/173 WAD, 24/221 WAD
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 juni 2023 (aangevallen tussenuitspraak) en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 december 2023, 22/5626 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
de staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)
Datum uitspraak: 29 april 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de toekenning van een financiële compensatie. Het hoger beroep van de staatssecretaris slaagt niet. De staatssecretaris heeft in beroep de grondslag van het bestreden besluit bewust en ondubbelzinnig prijsgegeven. Het in hoger beroep opnieuw aanvoeren van deze grondslag is in strijd met de goede procesorde. Het hoger beroep van betrokkene slaagt. De Raad stelt de ingangsdatum van de financiële compensatie vast op 27 augustus 2016. Betrokkene krijgt een schadevergoeding van de Staat vanwege het overschrijden van de redelijke termijn.

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. P. de Casparis hoger beroep ingesteld.
Ook de staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 4 maart 2026, tezamen met de zaak 24/224 WAD. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. P.A.M. Staal. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. van der Weijden.
Ter zitting heeft betrokkene verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM [1] . In verband met dit verzoek is de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene is aangesteld als militair bij de Koninklijke Marechaussee. Met een besluit van 1 december 2014 is aan betrokkene met ingang van 15 november 2014 de functie van [functie 1] toegewezen bij de Sectie [naam sectie] ( [sectie] ).
1.2.
Betrokkene heeft op 27 augustus 2021 verzocht om haar met terugwerkende kracht tot 15 november 2014 een vergoeding toe te kennen ter grootte van het verschil tussen het salaris van haar eigen functie en het salaris behorend bij de functie van [functie 2] . Volgens betrokkene wordt er bij de verdeling van de werkzaamheden en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden die daarbij horen in de praktijk geen onderscheid gemaakt tussen de functies van [functie 1] en [functie 2] en heeft zij steeds dezelfde werkzaamheden verricht als de [functie 2] .
1.3.
Met een besluit van 20 januari 2022 is het verzoek van betrokkene afgewezen.
1.4.
Met een besluit van 28 juli 2022 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 20 januari 2022 gegrond verklaard, in die zin dat betrokkene vanaf de datum van haar verzoek (27 augustus 2021) een compensatie op grond van artikel 115 van Pro het AMAR [2] wordt toegekend alsof zij de functie van [functie 2] waarneemt. Voor het toekennen van een compensatie met terugwerkende kracht ziet de staatssecretaris geen aanleiding. Volgens de staatssecretaris is het verzoek van betrokkene een verzoek om terug te komen van in rechte vaststaande besluitvorming, waarop artikel 4:6 van Pro de Awb [3] van overeenkomstige toepassing is en de rechtspraak over duuraanspraken geldt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 2 juni 2023 overwogen dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Volgens de rechtbank is in dit geval de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2018 [4] van toepassing. Ook in het geval van betrokkene heeft pas achteraf besluitvorming plaatsgevonden over de informele waarneming en is over de financiële compensatie niet eerder een besluit genomen. Betrokkene had dit ook niet uit de salarisspecificaties hoeven opmaken. De staatssecretaris heeft dit ter zitting onderschreven en heeft erkend dat geen sprake is van een verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit, maar dat moet worden bezien vanaf welk moment sprake was van informele waarneming. De rechtbank ziet aanleiding om de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen te onderzoeken vanaf welke datum feitelijk sprake is van informele waarneming. Gelet op de stukken en op wat ter zitting is besproken, bestaan er aanwijzingen dat hier in ieder geval al voor 2020 sprake van was.
2.1.
De staatssecretaris heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak met een aanvullend besluit van 9 augustus 2023 de ingangsdatum van de compensatie vastgesteld op 26 mei 2020. Dit is de datum waarop de leidinggevende van betrokkene heeft verzocht om naar de functiebeschrijvingen van beide functies te kijken.
2.2.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit en het aanvullende besluit van 9 augustus 2023 vernietigd, voor wat betreft de daarin vermelde einddatum. De rechtbank heeft verder het besluit van 20 januari 2022 herroepen en de ingangsdatum bepaald op 1 januari 2019. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek met het besluit van 9 augustus 2023 niet op de juiste wijze heeft hersteld. De staatssecretaris had moeten onderzoeken per welke datum aannemelijk is dat daadwerkelijk sprake is van informele waarneming. De rechtbank acht aannemelijk dat dit het geval was vanaf 1 januari 2019. De rechtbank ziet geen aanleiding om de datum nog eerder vast te stellen. Weliswaar is niet uitgesloten dat de informele waarneming ook voor 1 januari 2019 al speelde, maar betrokkene heeft onvoldoende concrete aanknopingspunten naar voren gebracht om dit buiten redelijke twijfel te kunnen vaststellen.
Het standpunt van betrokkene
3.1.
Betrokkene is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover daarbij de ingangsdatum van de compensatie is vastgesteld op 1 januari 2019. Zij vindt dat een eerdere ingangsdatum volgt uit verklaringen van [naam 1] en [naam 2] . Aan de verklaring van deze laatste collega heeft de rechtbank ten onrechte geen aandacht besteed.
Het standpunt van de staatssecretaris
3.2.
De staatssecretaris is het met de tussenuitspraak en de uitspraak van de rechtbank niet eens. De staatssecretaris heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat in deze zaak geen sprake is van een vorm van waarneming. De uitspraak van 18 oktober 2018 is daarom niet van toepassing. Bovendien is de motivering van die uitspraak onjuist. Volgens de staatssecretaris vindt bij informele waarneming de besluitvorming juist wel in de regel vooraf plaats. Over de financiële compensatie is al beslist met de salarisstroken, waardoor het verzoek van betrokkene is aan te merken als een verzoek om terug te komen op een in rechte vaststaand besluit. In de uitspraak van de Raad van 1 maart 2018 [5] is de juiste lijn gevolgd.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak aan de hand van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van de staatssecretaris niet slaagt. Het hoger beroep van betrokkene slaagt wel.
Het hoger beroep van de staatssecretaris
4.1.
De Raad zal eerst het hoger beroep van de staatssecretaris beoordelen, omdat dit het meest verstrekkend is.
4.2.
Het staat een bestuursorgaan vrij om in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar de grondslag van een besluit te wijzigen. Het bestuursorgaan handelt echter in strijd met de goede procesorde als het de grondslag van het besluit vervangt door een grondslag die het bestuursorgaan in een eerdere fase van de procedure bewust en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven, zoals het ook in strijd is met de goede procesorde als een partij opnieuw een beroepsgrond aanvoert die hij eerder bewust en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven [6] . Een vergelijkbare situatie doet zich hier voor.
4.3.
Uit de aantekeningen van de zitting bij de rechtbank op 9 januari 2023 en de beslissing tot schorsing van het onderzoek ter zitting blijkt dat de gemachtigde van de staatssecretaris heeft verklaard dat het bestreden besluit niet juist is voor zover daaraan ten grondslag is gelegd dat sprake is van een verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit. Hierbij heeft de staatssecretaris expliciet erkend dat sprake is van informele waarneming en dat de benadering uit de uitspraak van 18 oktober 2018 moet worden gevolgd. Gelet hierop heeft de staatssecretaris de eerdere grondslag van het bestreden besluit bewust en ondubbelzinnig prijsgegeven. Onder deze omstandigheden handelt de staatssecretaris in strijd met de goede procesorde door in hoger beroep weer het standpunt in te nemen dat het verzoek van betrokkene moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit en dat geen sprake is van een vorm van waarneming. Aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden van de staatssecretaris komt de Raad daarom niet toe.
Het hoger beroep van betrokkene
4.4.
De Raad volgt betrokkene in haar betoog dat een eerdere datum dan 1 januari 2019 moet worden vastgesteld als ingangsdatum voor de financiële compensatie voor informele waarneming. Betrokkene heeft in beroep verwezen naar een bericht van collega [persoon] . Hij verklaart dat in ieder geval vanaf juli 2015 bij de verdeling en uitvoering van de werkzaamheden geen onderscheid werd gemaakt tussen de functie van [functie 1] en de functie van [functie 2] . Ook [naam 1] , hoofd [sectie] , bevestigt in zijn verklaring van 27 september 2021 dat deze methode van werken binnen [sectie] sinds vele jaren bestaat. De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit erkend dat beide functies in de praktijk overeenkomen en heeft op de zitting van de Raad niet bestreden dat dit reeds het geval was in de periode die [naam 2] in zijn bericht noemt.
4.5.
De staatssecretaris heeft in het nadere besluit van 9 augustus 2023 een beroep gedaan op artikel 4:104 van Pro de Awb. Betrokkene heeft naar aanleiding hiervan haar vordering beperkt tot vijf jaar voor de indiening van haar verzoek op 27 augustus 2021. De Raad bepaalt daarom de ingangsdatum van de financiële compensatie op 27 augustus 2016.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
5. Over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, overweegt de Raad als volgt.
5.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [7] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. Doorgaans is geen sprake van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden.
5.2.
Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door de staatssecretaris op 1 maart 2022 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna twee maanden verstreken. Er is geen aanleiding om de redelijke termijn voor de procedure als geheel te stellen op een andere termijn dan vier jaar. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-.
5.3.
De overschrijding van de redelijke termijn is veroorzaakt door de te lange behandeling van het hoger beroep. Deze overschrijding komt voor rekening van de Staat.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep van de staatssecretaris slaagt dus niet. Het hoger beroep van betrokkene slaagt. De aangevallen tussenuitspraak wordt bevestigd. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, voor zover de ingangsdatum van de financiële compensatie is bepaald op 1 januari 2019. De Raad zal deze ingangsdatum bepalen op 27 augustus 2016. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.
6. Betrokkene krijgt een vergoeding voor haar proceskosten De staatssecretaris zal worden veroordeeld in het betalen van een bedrag van € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De Staat zal worden veroordeeld in het betalen van een bedrag van € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
6.1.
De staatssecretaris moet het door betrokkene in hoger beroep betaalde griffierecht van € 279,- vergoeden. Van de staatssecretaris zal een griffierecht van € 559,- worden geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen tussenuitspraak;
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de ingangsdatum van de financiële compensatie is bepaald op 1 januari 2019;
  • bepaalt de ingangsdatum van de financiële compensatie op 27 augustus 2016;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan betrokkene van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 467,-;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.868,-;
  • bepaalt dat de staatssecretaris aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 279,- vergoedt;
  • bepaalt dat van de staatssecretaris een griffierecht van € 559,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) N. Gios

Voetnoten

1.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Algemeen militair ambtenarenreglement.
3.Algemene wet bestuursrecht.
6.Zie de uitspraak van 20 oktober 2020, ECLI:NL:2020:2587.
7.Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.