Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:479

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
24/1336 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Appellant stelde op 7 juni 2024 hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. Tijdens de procedure kwam het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad op 17 juli 2025 met een nieuw besluit waarin het volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant, door het recht op een Tozo-uitkering over de periode maart 2020 tot september 2021 vast te stellen en de eerder teruggevorderde uitkeringen te laten vervallen.

Naar aanleiding hiervan trok appellant op 18 september 2025 het hoger beroep in en verzocht de Raad om het college te veroordelen tot vergoeding van de gemaakte proceskosten. Het college verzette zich tegen deze veroordeling, stellende dat het geschil informeel was opgelost en dat appellant niet eerder om kostenvergoeding had verzocht.

De Raad oordeelde dat het college met het besluit van 17 juli 2025 volledig aan de bezwaren tegemoet was gekomen en dat op grond van vaste rechtspraak een verzoek tot proceskostenvergoeding in zo'n situatie in beginsel moet worden toegewezen, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. Het overleg tussen partijen en het feit dat appellant hoger beroep moest instellen om het nieuwe besluit te verkrijgen, vormden geen bijzondere omstandigheden.

De Raad stelde de proceskostenvergoeding vast op een forfaitair bedrag van € 1.868,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht en veroordeelde het college tevens tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 188,-. De uitspraak werd gedaan door C.F.E. van Olden-Smit op 21 april 2026.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant na intrekking van het hoger beroep wegens volledige tegemoetkoming.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1336 PW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
30 april 2024, 23/4110 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)
Datum uitspraak: 21 april 2026

PROCESVERLOOP

Appellant heeft op 7 juni 2024 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Met een e-mailbericht van 18 september 2025 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft met een e-mailbericht van 22 september 2025 laten weten zich niet te kunnen vinden in een proceskostenveroordeling.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 16 mei 2025 heeft de Raad het college een aantal vragen gesteld over het geschil. Na deze brief is overleg tussen partijen op gang gekomen.
Het college heeft bij brief van 21 juli 2025 de Raad medegedeeld dat dat op 17 juli 2025 een nieuw besluit is genomen. Samengevat heeft het college daarbij de op 23 juni 2025 door appellant overgelegde winst- en verliesrekeningen van (de VOF van) appellant geaccepteerd, waardoor het college het recht van appellant op een Tozo-uitkering over de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2021 alsnog heeft kunnen vaststellen. Als gevolg hiervan is appellant niet langer meer de eerder door het college teruggevorderde Tozo-uitkering(en) van € 27.291,68 aan het college verschuldigd. Met dit besluit is volledig aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het college heeft besloten tot intrekking van het bestreden besluit en daarbij verzocht om een vergoeding van de door hem in beroep gemaakte proceskosten. Het college heeft met een e-mailbericht van 22 september 2025 en een brief van 18 november 2025 te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in een veroordeling in de proceskosten van appellant tijdens het hoger beroep en/of schadevergoeding, nu het geschil op informele wijze is opgelost buiten de hogerberoepsprocedure om. Ook is volgens het college niet gebleken dat appellant tijdens de bezwaar- en beroepsfase heeft verzocht om een vergoeding van de gemaakte (proces)kosten, en dat appellant tijdens de fase van hoger beroep is bijgestaan door een rechtsbijstandsverlener.
De Raad oordeelt als volgt. Met het besluit van 17 juli 2025 is volledig aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen. Dit wordt door het college ook niet betwist. Volgens vaste rechtspraak dient een verzoek om toepassing van artikel 8:75a van de Awb als regel te worden ingewilligd op grond van het enkele feit dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen.
Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien de noodzaak om van een rechtsmiddel gebruik te maken uitsluitend te wijten was aan de handelwijze van betrokkene zelf. [1] Het gegeven dat (onverplicht) in overleg met appellant aan appellant is tegemoetgekomen, levert in beginsel niet een dergelijke bijzondere omstandigheid op. [2] Dat het college het tegemoetkomende besluit heeft genomen in overleg met appellant, doet niet af aan het feit dat appellant (hoger) beroep heeft moeten instellen om te bewerkstelligen dat het college tot dit nieuwe besluit zou komen.
Uit de door appellant overgelegde stukken volgt dat hij voor de behandeling van zijn beroep in eerste aanleg kosten heeft gemaakt voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten beperkt zich ook enkel tot deze kosten, waarbij appellant heeft verzocht om een bedrag van € 2.898,34 te vergoeden. Voor de vergoeding van deze kosten zal echter worden aangesloten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) dat voorziet in een forfaitaire vergoeding.
De Raad veroordeelt het college in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Bpb, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en
1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt). Ook dient het college het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.868,-;
  • bepaalt dat het college het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) A. Giesen

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2161.
2.Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 mei 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX6776, en die van 13 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3521.