Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:467

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
25/209 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering betaling WW-uitkering wegens te late aanvraag en ontbreken bijzonder geval

Betrokkene, die in 2015 eervol ontslag kreeg wegens overtolligheid bij Defensie, vroeg in 2023 een WW-uitkering aan voor de periode 2015-2018. Het UWV weigerde betaling omdat de aanvraag meer dan 26 weken na de betreffende periode werd ingediend, conform artikel 35 WW Pro. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat geen sprake was van een bijzonder geval.

Appellanten, de erven van betrokkene, voerden aan dat betrokkene onjuist geïnformeerd was en vanwege sociale problemen en een lopend veiligheidsonderzoek niet tijdig kon aanvragen. De Raad volgde dit niet, omdat de stellingen onvoldoende waren onderbouwd en betrokkene destijds adequaat was geïnformeerd over zijn ontslag en rechten.

De Raad benadrukte dat de bewijslast voor een bijzonder geval bij appellanten ligt en dat dit begrip restrictief wordt uitgelegd. Gezien het ontbreken van concrete aanwijzingen en het feit dat betrokkene niet actief contact zocht met zijn ex-werkgever, werd het beroep ongegrond verklaard. De Raad bevestigde het bestreden besluit en liet de weigering van de WW-uitkering in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens te late aanvraag en ontbreken van een bijzonder geval.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/209 WW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 december 2024, 24/3243 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de erven (appellanten) van [betrokkene] (betrokkene), laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris) (ex-werkgeefster van betrokkene)
Datum uitspraak: 15 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft besloten dat de WW-uitkering van betrokkene over de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 augustus 2018 niet tot betaling komt, omdat deze periode is gelegen vóór 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Volgens appellanten is sprake van een bijzonder geval, op grond waarvan de WW-uitkering moet worden betaald. De Raad volgt dit standpunt niet en oordeelt dat het Uwv terecht geen bijzonder geval heeft aangenomen en daarom terecht heeft geweigerd de WW-uitkering van betrokkene te betalen.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De staatssecretaris heeft vragen van de Raad beantwoord en twee brieven ingebracht.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 januari 2026. Namens appellanten is verschenen [gemachtigde] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.J.M. Konings en drs. J. Leijders.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Betrokkene is op 15 januari 1979 in dienst gekomen bij het ministerie van Defensie. Aan betrokkene is met ingang van 1 augustus 2015 eervol ontslag verleend wegens overtolligheid. Op [datum] 2019 is betrokkene overleden.
1.2.
Bij besluit van 27 november 2023 heeft het Uwv naar aanleiding van een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) vastgesteld dat betrokkene recht heeft op een WW-uitkering van 1 augustus 2015 tot en met 31 augustus 2018. De uitkering wordt echter niet betaald omdat deze periode voor 26 weken voorafgaand aan de datum van de WW-aanvraag van 31 juli 2023 ligt.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 5 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 35 van Pro de WW de uitkering niet wordt betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering wordt ingediend. De WW-uitkering is op 31 juli 2023 aangevraagd voor de periode vanaf het ontslag van betrokkene in 2015. Deze periode ligt te ver in het verleden. Daarnaast is volgens het Uwv geen sprake van een bijzonder geval.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een bijzonder geval. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene onjuist is geïnformeerd dan wel van verkeerde informatie is uitgegaan waardoor hij niet eerder een WW-aanvraag heeft kunnen (laten) indienen. Evenmin is gebleken dat betrokkene (vanwege medische redenen) niet in staat zou zijn geweest om tijdig een WW-uitkering aan te (laten) vragen. Betrokkene is destijds gedurende een anderhalf jaar durend traject begeleid naar ander werk. De rechtbank heeft het aannemelijk geacht dat hij in deze periode over zijn rechtspositie is geïnformeerd. Door de rechtbank is verder aangenomen dat betrokkene heeft geweten in welk kader hij werd ontslagen.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellanten hebben tegen die uitspraak aangevoerd dat sprake is van een bijzonder geval en het Uwv op grond hiervan de WW-uitkering vanaf 1 augustus 2015 had moeten uitbetalen. Volgens appellanten is onvoldoende geluisterd naar de redenen waarom niet tijdig een WW-uitkering is aangevraagd. Ten tijde van het ontslag van betrokkene was een veiligheidsonderzoek gaande. Daarom dacht betrokkene dat hij in dat kader was ontslagen en geen recht had op WW. Verder is gewezen op sociale problemen van betrokkene zoals dakloosheid, het leiden van een zwervend bestaan en belastende schulden.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5.1.
Op grond van artikel 35 van Pro de WW wordt de uitkering op grond van de WW niet betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het Uwv is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste zin.
5.2.
Vaststaat dat de WW-aanvraag bijna acht jaar na de periode waarover recht bestaat op een WW-uitkering is ingediend. Tussen partijen is daarom uitsluitend in geschil de vraag of sprake is van een bijzonder geval.
5.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad [1] is de aanwezigheid van een bijzonder geval een objectieve voorwaarde voor het doen ontstaan en de uitoefening van de bevoegdheid van het Uwv om af te wijken van de dwingendrechtelijke bepaling in de eerste volzin van artikel 35 van Pro de WW. De rechter moet volledig toetsen of in een concreet geval aan de voorwaarde is voldaan, waarbij het begrip ‘bijzonder geval’ naar zijn aard restrictief moet worden uitgelegd. Op appellanten rust de bewijslast van de aanwezigheid van een bijzonder geval.
5.4.1.
Wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd is in essentie een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellanten in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35 van Pro de WW en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe.
5.4.2.
Appellanten hebben ter zitting gesteld dat betrokkene in de veronderstelling verkeerde dat hij oneervol was ontslagen en daarom geen recht had op een WW-uitkering. Volgens appellanten is betrokkene tijdens zijn verlof opgebeld dat hij thuis kon blijven en niet meer naar het werk hoefde te komen. Brieven van zijn ex-werkgeefster hierover hebben hem destijds niet bereikt.
5.4.3.
Appellanten hebben deze stellingen niet onderbouwd. Ook de gedingstukken bevatten hiervoor geen aanknopingspunten. In hoger beroep heeft de staatssecretaris desgevraagd informatie verstrekt over het ontslag van betrokkene en heeft hierbij een tweetal brieven overgelegd. Bij brief van 23 december 2013 heeft de ex-werkgeefster betrokkene per 4 januari 2014 aangewezen als herplaatsingskandidaat wegens het vervallen van zijn functie. In deze brief staat dat betrokkene hier reeds in een persoonlijk gesprek over is geïnformeerd. Ook wordt vermeld dat indien blijkt dat er na het volledige herplaatsingstraject geen passende functie (intern of extern Defensie) kan worden gevonden, aan betrokkene ontslag wordt verleend in verband met overtolligheid met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin zijn herplaatsingstermijn is verstreken, zijnde 1 augustus 2015. Vervolgens is betrokkene bij brief van 9 maart 2015 bericht dat aan hem daadwerkelijk eervol ontslag wordt verleend wegens overtolligheid. In deze brief is betrokkene expliciet gewezen op de mogelijkheid van het aanvragen van een WW-uitkering en een uitkering op grond van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen voor de sector Defensie. Uit de informatie van de staatssecretaris volgt dus niet dat sprake is geweest van ontslag als gevolg van een veiligheidsonderzoek naar betrokkene. Bovendien is niet gebleken dat betrokkene navraag heeft gedaan bij en ook geen enkel contact opgenomen met zijn ex-werkgeefster over zijn ontslag of het achterwege blijven van loonbetalingen dan wel dat hij anderszins actie in de richting van zijn ex-werkgeefster zou hebben genomen. Als appellant in zijn stellingen zou worden gevolgd dat hem niets bekend is gemaakt over het ontslag, zou dat wel in de rede hebben gelegen.
5.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Uwv terecht heeft geweigerd de WWuitkering van betrokkene te betalen. Ter zitting is met de staatssecretaris gesproken of de mogelijkheid bestaat om met appellanten in gesprek te treden over een coulanceregeling met betrekking tot de bovenwettelijke uitkering. De staatssecretaris heeft te kennen gegeven bereid te zijn dit nader uit te zoeken.

Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2095.