Appellante, geboren in 1956, ondervindt beperkingen in haar dagelijks functioneren en had eerder een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend gekregen op grond van de Wmo 2015. Dit pgb werd in september 2020 ingetrokken vanwege onverantwoord beheer en het ontbreken van voldoende regievermogen om een verantwoorde pgb-vertegenwoordiger te kiezen. Appellante vroeg opnieuw een pgb aan met dezelfde vertegenwoordiger, maar het college wees deze aanvraag af.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat de periode waarvoor het pgb was toegekend was verstreken en appellante geen nieuwe aanvraag had ingediend. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellante wel procesbelang heeft omdat zij nog steeds een pgb wenst en het resultaat van het beroep feitelijk betekenis voor haar heeft.
De Raad bevestigde dat het college bevoegd was de aanvraag te weigeren op grond van artikel 2.3.6, vijfde lid, onderdeel b, Wmo 2015, omdat eerder onverantwoord pgb-beheer was vastgesteld. De omstandigheden die appellante aanvoerde, zoals taalbarrière en Covid-19 lockdown, konden niet leiden tot het oordeel dat het college zijn bevoegdheid niet had kunnen uitoefenen.
De Raad vernietigde de niet-ontvankelijkverklaring van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de weigering van het pgb. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht in hoger beroep.