Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:456

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
23/3028 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:57 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid 70,62% en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

In deze zaak staat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een werknemer centraal, vastgesteld door het UWV op 70,62% per 9 april 2021. Appellante betwistte deze vaststelling en voerde aan dat de werknemer meer medische beperkingen heeft, waardoor de geselecteerde functies niet passend zouden zijn. De rechtbank Gelderland heeft het beroep ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en de medische en arbeidskundige beoordelingen van het UWV onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 juli 2021 voldoende rekening houden met de beperkingen van de werknemer. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de geselecteerde functies, waaronder huishoudelijk medewerker gebouwen en samensteller kunststof- en rubberproducten, medisch passend zijn.

Daarnaast heeft de Raad geoordeeld dat de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure heeft geleid tot een schadevergoeding van €1.500,-, waarvan €346,- voor rekening van het UWV en €1.154,- voor de Staat der Nederlanden komt. Ook zijn proceskosten voor de schadevergoeding toegewezen. Het hoger beroep is ongegrond verklaard, waarmee het besluit over de arbeidsongeschiktheid in stand blijft.

Uitkomst: De vaststelling van 70,62% arbeidsongeschiktheid per 9 april 2021 wordt bevestigd en een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding toegekend.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/3028 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 september 2023, 21/5855 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid (Staat)
Datum uitspraak: 9 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer per 9 april 2021 heeft vastgesteld op 70,62%. Volgens appellante heeft werknemer meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan werknemer niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 september 2024. Voor appellante zijn medisch adviseur D.C.M. Meijer en mr. Van Zijl verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.
De Raad heeft het onderzoek heropend en het Uwv verzocht te reageren op een vraagstelling van de Raad.
Het Uwv heeft een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingebracht.
Appellante heeft daarop gereageerd.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn. In verband hiermee heeft de Raad de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
De werknemer van appellante heeft voor het laatst gewerkt als APK keurmeester voor 34 uur per week. Op 11 april 2017 heeft hij zich ziekgemeld na een bedrijfsongeval. Nadat werknemer een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat werknemer bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 februari 2019. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat werknemer niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor werknemer functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 45,26%. Het Uwv heeft bij besluit van 29 maart 2019 aan werknemer met ingang van 9 april 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
1.2.
Bij besluit van 21 januari 2021 heeft het Uwv aan werknemer medegedeeld dat de loongerelateerde WGA-uitkering de maximumduur bereikt en dat hij per 9 april 2021 in aanmerking komt voor een WGA-vervolguitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45,26%.
1.3.
Bij besluit van 12 november 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geselecteerde functies laten vervallen omdat deze de belastbaarheid van werknemer overschrijden, heeft nieuwe functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer alsnog vastgesteld op 70,62%.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid van de werknemer op 9 april 2021 op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd. Hij heeft in zijn rapport van 4 november 2021 gereageerd op de in bezwaar aangevoerde beperkingen en heeft – kort gezegd – aangegeven dat een medische onderbouwing ontbreekt voor die beperkingen of dat hier al rekening mee is gehouden in de FML. Appellante heeft in beroep deze beperkingen herhaald. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 23 maart 2023 aanvullend gerapporteerd. Hij heeft toegelicht dat er geen aanwijzingen zijn dat de werknemer beperkt is in de zelfstandigheid, dat onderbouwing ontbreekt voor beperkingen in patiënt- en klantcontact en dat er geen medische grondslag is voor een verdergaande urenbeperking. Bij beoordelingspunt 1.8.1 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat er geen sprake is van grote groepen mensen, continu harde geluiden of een rumoerige omgeving. Ook het stofzuigen levert geen overschrijding op van FML-item 3.6. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat deze belasting toelaatbaar is. Verder kan de werknemer kiezen voor een vaste ochtenddienst, waardoor er geen overschrijding is van FML-item 6.1. De rechtbank heeft de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd.
2.2.
De rechtbank heeft verder de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gevolgd in haar standpunt dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor de werknemer. De rechtbank vindt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk en begrijpelijk heeft toegelicht waarom de belastbaarheid in de functie van huishoudelijk medewerker gebouwen niet wordt overschreden. De arbeidsdeskundig adviseur heeft nog aanvullend gereageerd dat de stofzuiger meer decibel (dB) produceert dan waar de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vanuit gaat, maar hierin heeft de rechtbank geen reden gezien om te twijfelen aan de motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Daarbij heeft de rechtbank doorslaggevend geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij overleg heeft aangegeven dat het werken met een stofzuiger geen overschrijding van de belastbaarheid oplevert. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij de functie van samensteller kunststof- en rubberproducten aangegeven dat er geen beperking is aangenomen voor samenwerken en dat er nauwelijks stresserende factoren zijn. Ook in deze functie is geen sprake van harde geluiden, grote groepen of veel achtergrondgeluid. Aanvullend heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nog aangegeven dat de werknemer in staat is om in onderlinge afstemming een taak gezamenlijk uit te voeren. Dit is dan ook niet bezwaarlijk en kan niet als een afleiding zoals bedoeld met FML-item 1.8.1 worden opgevat. Verder is de onderlinge afstemming in de functie op normaal gespreksniveau, waarmee er geen sprake is van blootstelling aan continu harde geluiden. De rechtbank heeft deze motivering voldoende inzichtelijk en begrijpelijk gevonden en heeft deze gevolgd.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de medische beoordeling van het Uwv. De door medisch adviseur Meijer aangedragen beperkingen hadden in acht moeten worden genomen. Daarnaast zijn ten onrechte de voor werknemer geselecteerde functies van huishoudelijk medewerker gebouwen en samensteller kunststof- en rubberproducten geschikt geacht.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 70,62% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Medische beoordeling
5.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Wat over de medische beoordeling door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen, wordt onderschreven. Het Uwv heeft met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 november 2021, 23 maart 2023 en 29 augustus 2024 deugdelijk gemotiveerd dat in de FML van 19 juli 2021 voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van werknemer. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat door de ADHD tot aan het ongeval geen sprake was van pathologisch disfunctioneren. Hij heeft toegelicht dat er geen aanwijzingen zijn voor pre-existente beperkingen door ziekte die niet binnen de na het ongeval gestelde beperkingen vallen.
5.2.
Wat appellante in hoger beroep onder verwijzing naar de reeds bij de rechtbank ingebrachte informatie van medisch adviseur Meijer heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel dan de rechtbank. Het Uwv heeft met de in 4.3 genoemde rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend toegelicht dat geen psychiatrische diagnose aanwezig is en dat de werknemer door therapie beter heeft leren omgaan met zijn tinnitusklachten. Omdat de door adviseur Meijer genoemde beperkingen niet uit ziekte verklaarbaar zijn, bestaat er geen grond voor aanvullende beperkingen in de rubrieken I en II van de FML. De verzekeringsartsen bezwaar en beroep hebben werknemer daarnaast ook beperkt geacht voor omgevingen met (continue) harde geluiden. Verder hebben zij aan de hand van de Standaard duurbelastbaarheid in arbeid overtuigend gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat voor een verdergaande urenbeperking. Er zijn geen aanwijzingen uit ziekte of anamnese voor een duurbelastbaarheid van slechts twee uur per dag. Dat het werknemer niet lukt om vier uur per dag werkzaam te zijn als monteur maakt dit niet anders, nu dit geen passende arbeid betreft.
Arbeidskundige beoordeling
5.3.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 19 juli 2021 wordt met de rechtbank geoordeeld dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht passend zijn voor werknemer. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van werknemer in de rapporten van 18 augustus 2021, 11 november 2021, de in beroep ingebrachte rapporten en het rapport van 4 november 2024 toegelicht. Daarbij is overtuigend gemotiveerd dat in de geselecteerde functies geen harde geluiden aan de orde zijn.
5.4.
Over de functie van huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gesteld dat het geluid van de stofzuiger bij een werkplekonderzoek door de arbeidskundig analist niet nadrukkelijk aanwezig was, maar – mocht zo een te hoge geluidsbelasting bij het stofzuigen aan de orde zijn – de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische bezwaren aanwezig acht voor het dragen van een noise cancelling hoofdtelefoon. De aanschaf van een ‘stille’ stofzuiger kan in zo’n geval eventueel ook in redelijkheid van een werkgever worden verwacht, aldus de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De Raad is van oordeel dat hiermee door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende is onderbouwd dat de functie van huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) ook qua geluidsbelasting geschikt is voor de werknemer. De Raad acht daarbij van belang dat de werknemer in de FML beperkt is geacht voor een werkomgeving met continue harde geluiden. In de functie van huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) wordt geluidsbelasting niet als kenmerkende belasting genoemd. Daarnaast vindt stofzuigen in de betreffende functie niet continu, maar slechts gedurende 20% van de werktijd plaats. Tegen de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep genoemde mogelijkheid van een noise cancelling hoofdtelefoon heeft appellante weliswaar gesteld, dat een dergelijke koptelefoon met name effectief zou zijn bij constante en lage frequenties en niet bij de hoge frequenties en onregelmatige pieken die een stofzuiger produceert. Dit blijkt echter niet uit het wetenschappelijk onderzoek (“Experimental investigations of psychoacoustic characteristics of household vacuum cleaners” van de National University of Singapore) waar appellante naar verwijst en is verder door haar ook niet onderbouwd. De Raad stelt daarnaast vast dat dit wetenschappelijke onderzoek betrekking had op drie stofzuigers met een geluidsbelasting van 65 dB(A) tot 90 dB(A), derhalve niet op de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ook genoemde mogelijkheid van een ‘stille’ stofzuiger, die een aanmerkelijk lager geluidsniveau produceert.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
6.1.
Appellante heeft bij brief van 19 maart 2026 verzocht om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van
€ 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. [1]
6.3.
Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 1 maart 2021 tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en een maand verstreken, terwijl er geen omstandigheden zijn die een langere behandelduur dan vier jaar rechtvaardigen. De redelijke termijn is dan ook met een jaar en een maand overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.500,-.
6.4.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim negen maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de bezwaarfase met ruim drie maanden is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter is afgerond tien maanden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening van het Uwv onderscheidenlijk voor de Staat komt, wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 [2] . Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 346,- (3/13 deel van € 1.500,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.154,- (10/13 deel van € 1.500,-).

Conclusie en gevolgen

6.5.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van een WGA-vervolguitkering aan werknemer per 9 april 2021, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 70,62%, in stand blijft. Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. Er is wel aanleiding om de Staat en het Uwv beide voor de helft te veroordelen in de proceskosten die appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 0,5), dus € 233,50 voor zowel de Staat als het Uwv.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.154,-;
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 346,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van N.B. Yalçinkaya als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) N.B. Yalçinkaya

Voetnoten

1.CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
2.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.