Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:438

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
24/559 MPW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit AO/IV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongeval militair tijdens vlotbouwen aangemerkt als bedrijfsongeval, niet als dienstongeval

Betrokkene, werkzaam bij de Koninklijke Landmacht, raakte tijdens een militaire oefening in Oostenrijk gewond toen hij van een vlot viel en zijn knieschijf brak. De staatssecretaris had het ongeval aangemerkt als bedrijfsongeval, terwijl de rechtbank dit kwalificeerde als dienstongeval vanwege vermeende oorlogsnabootsende omstandigheden en verhoogd risico.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard. De Raad oordeelde dat de oefening niet onder oorlogsnabootsende omstandigheden viel en dat er geen sprake was van een verhoogd risico. Alle gebruikelijke veiligheidsmaatregelen waren getroffen, waaronder instructies en beschermende kleding.

Ook werd geoordeeld dat het ongeval geen beroepsincident was, omdat er geen gevaarzettende situatie bestond waaraan betrokkene zich niet kon onttrekken. Het ongeval was het gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond, waarmee het ongeval terecht als bedrijfsongeval werd aangemerkt.

Uitkomst: Het ongeval van betrokkene is terecht aangemerkt als bedrijfsongeval en niet als dienstongeval of beroepsincident.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/559 MPW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 februari 2024, 23/4513 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
[betrokkene] , te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 16 april 2026

SAMENVATTING

In deze zaak oordeelt de Raad dat de staatssecretaris het ongeval dat betrokkene is overkomen terecht heeft aangemerkt als bedrijfsongeval en niet als dienstongeval of beroepsincident. Er was geen sprake van onder oorlogsnabootsende omstandigheden in de praktijk brengen van theoretisch onderwezen bekwaamheden. Ook was er geen sprake van een verhoogd risico.

PROCESVERLOOP

Namens de staatssecretaris heeft H.J.A. Aerts hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. T.A. van Helvoort, advocaat, een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 maart 2026. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.H. Souren
.Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Helvoort.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene werkt bij de Koninklijke Landmacht en heeft verplicht deelgenomen aan een meerdaagse (militaire) oefening in Oostenrijk
.Op [datum] 2021 is betrokkene tijdens het varen met een vlot in een snel stromende, ondiepe rivier van het vlot afgevallen. Daarbij is betrokkene met een knie terecht gekomen op een steen in de rivierbedding en heeft hij zijn knieschijf gebroken. Van dit ongeval is een proces-verbaal opgemaakt.
1.2.
In het proces verbaal en de daarbij behorende getuigenverklaringen is de toedracht van het ongeval opgenomen. Daaruit blijkt dat de militairen de opdracht kregen om onder begeleiding van een instructeur een vlot te bouwen en daarmee de rivier af te varen. Daarbij zijn onder meer instructies gegeven hoe te handelen indien men te water raakt. Verder kreeg men de opdracht om op het drijvende vlot te gaan staan en vervolgens van positie te wisselen met de militairen die aan de andere zijde van het vlot stonden. Tijdens zo’n wisseling is betrokkene onverwacht in het water gevallen, met knieletsel tot gevolg.
1.3.
Met een besluit van 2 december 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 23 mei 2023 (bestreden besluit), heeft de staatssecretaris het ongeval aangemerkt als bedrijfsongeval. Omdat tijdens de oefening geen sprake was van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden en meer in het bijzonder dat geen sprake was van oorlogsnabootsende omstandigheden, is er volgens de staatssecretaris geen sprake van een dienstongeval. Ook is geen sprake van een beroepsincident.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 2 december 2021 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit. De rechtbank is van oordeel dat er bij de oefening met het vlot sprake was van het onder oorlogsnabootsende omstandigheden in de praktijk brengen van theoretisch onderwezen bekwaamheden om zo de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken te verwerven en dat deelname van betrokkene aan deze oefening voor hem een verhoogd risico inhield. Hoewel betrokkene van te voren aanwijzingen heeft gekregen over hoe te handelen bij het te water gaan, is daarmee nog niet gezegd dat daarmee de gebruikelijke veiligheidsmaatregelen in acht zijn genomen. Betrokkene is voor hem onverwacht te water geraakt en samen met de omstandigheid van laag water en veel stenen in de rivier is daardoor een verhoogd risico ontstaan op letsel bij een dergelijke val. Daarmee is sprake van een dienstongeval.
Het standpunt van de staatssecretaris
3. De staatssecretaris is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Het standpunt van betrokkene
4. Betrokkene heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. In het geval de Raad zou oordelen dat geen sprake is van een dienstongeval, meent betrokkene dat sprake is van een beroepsincident
.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd en heeft geoordeeld dat sprake is van een dienstongeval. De Raad doet dit aan de hand van wat de staatssecretaris in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt.
Dienstongeval?
5.1.
Onder invaliditeit met dienstverband wordt op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit AO/IV [1] verstaan een invaliditeit die het gevolg is van de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden. Daartoe wordt op grond van artikel 2, zesde lid, van het Besluit AO/IV mede gerekend het onder oorlogsnabootsende omstandigheden in de praktijk brengen van theoretisch onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken te verwerven, op te voeren of te onderhouden, voor zover sprake is van een verhoogd risico.
5.2.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de oefening vlotbouwen- en varen moet worden aangemerkt als ‘onder oorlogsnabootsende omstandigheden in de praktijk brengen van theoretisch onderwezen bekwaamheden, teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken te verwerven, op te voeren, of te onderhouden’, als bedoeld in artikel 2, zesde lid, onder a, van het Besluit AO/IV.
5.3.
Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld [2] is normaal onderdeel van het uitoefenen van de militaire dienst door een beroepsmilitair het oefenen van de uitvoering van de oorlogstaak, waarvoor hij is bestemd. Gelet op de systematiek van artikel 2 van Pro het Besluit AO/IV geschiedt dit in beginsel onder normale omstandigheden, waarbij alle gebruikelijke maatregelen ter voorkoming van ongevallen worden getroffen. Daarnaast is het mogelijk dat een oorlogstaak wordt geoefend onder buitengewone omstandigheden. De oefening van de desbetreffende oorlogstaak wordt dan gedaan onder nabootsing van bijzondere omstandigheden, zoals die zich bij daadwerkelijk operationeel optreden in een oorlogssituatie kunnen voordoen en waarbij deze bijzondere omstandigheden een verhoogd risico op verwonding of letsel met zich meebrengen. In het algemeen zal dit verhoogde risico aanwezig zijn wanneer, juist om de oorlogssituatie realistisch na te bootsen, niet alle normaal gebruikelijke veiligheidsmaatregelen (kunnen) worden gehandhaafd.
5.4.
Het ongeval vond plaats tijdens zogenoemde ‘grensverleggende activiteiten’. De staatssecretaris heeft toegelicht dat militairen met enige regelmaat op oefening gaan om te trainen zodat zij gereed zijn voor eventuele inzet. Grensverleggende activiteiten zijn trainingsvormen die hiervoor worden ingezet. De primaire doelstelling van grensverleggende activiteiten is gericht op de mentale vorming (waaronder groepsvorming). Betrokkene heeft in de bij het proces-verbaal behorende verklaring ook opgemerkt dat het vlotbouwen en -varen als doel had het trainen van onder meer de competenties samenwerken en communiceren. Niet is gebleken dat de omstandigheden waaronder het vlotbouwen- en varen moest worden uitgevoerd in bijzondere mate afweken van de normale omstandigheden waarbinnen betrokkene zijn militaire vaardigheden dient te oefenen. Dat sprake was van het varen op een vlot in een stromende bergrivier waarin veel stenen lagen en betrokkene – al dan niet na een duw – onverwacht te water is geraakt, is onvoldoende om als bijzondere – oorlogsnabootsende – omstandigheden aan te merken. Alle normaal gebruikelijke veiligheidsmaatregelen waren getroffen, waaronder het dragen van beschermende kleding en de aanwezigheid van een instructeur die vooraf en tijdens het varen instructies heeft gegeven en die gewaarschuwd heeft voor het lage water en de rivierbedding met stenen. Ook alle gebruikelijke voorschriften dienden te worden nageleefd. Er zijn geen speciale maatregelen getroffen om specifieke oorlogsomstandigheden na te bootsen. De staatssecretaris heeft het ongeval dat betrokkene is overkomen terecht niet aangemerkt als dienstongeval.
Beroepsincident?
5.5.
Met de staatssecretaris is de Raad van oordeel dat evenmin sprake is van een beroepsincident. Er was geen sprake is van een gevaarzettende situatie waaraan betrokkene zich niet kon onttrekken, als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van het Besluit AO/IV. Uit de Nota van Toelichting [3] blijkt dat het daarbij gaat om gevallen waarin een militair door de werkzaamheden een verhoogd risico loopt, terwijl er evenwel geen sprake is van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden. Het gaat dan om incidenten tijdens de reguliere vredesbedrijfsvoering waarbij sprake is van een zeker risico dat onlosmakelijk is verbonden aan de uitoefening van de functie, maar waarbij geen direct verband is met de bijzondere taken van de krijgsmacht of de voorbereiding (oefenen) op de uitoefening van deze taken. Het gaat dus om die werkzaamheden waarbij het gevaar per definitie onderdeel van het werk is en waaraan de betrokken (militair) ambtenaar zich niet kan onttrekken. De Raad oordeelt dat daar in dit geval geen sprake van was, omdat de (oefen)situatie werd uitgevoerd onder toezicht van een instructeur, die vooraf en tijdens het varen instructies heeft gegeven en betrokkene beschermende kleding in de vorm van een neopreen pak droeg. Betrokkene heeft de Raad er dan ook niet van kunnen overtuigen dat desondanks gezegd moet worden dat hij zich in een situatie met verhoogd risico heeft moeten begeven. Op basis van de stukken kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het ongeval te wijten is aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden met onvoorziene gevolgen voor betrokkene. De staatssecretaris heeft het ongeval dat betrokkene is overkomen daarom terecht niet aangemerkt als beroepsincident.
Conclusie en gevolgen
5.5.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit zal alsnog ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het betrokkene op [datum] 2021 overkomen ongeval terecht is aangemerkt als bedrijfsongeval.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 23 mei 2023 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.

(getekend) Y. Sneevliet

(getekend) A.A. Verweij

Voetnoten

1.Besluit Aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen.
2.Uitspraak van de Raad van 14 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4349.
3.Staatsblad 2014, 251.