ECLI:NL:CRVB:2026:430
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Terugvordering netto onverschuldigde WIA-uitkering na late melding dienstverband
Appellant ontving een WIA-uitkering vanaf april 2015. Hij meldde pas op 17 februari 2022 dat hij sinds 13 januari 2022 weer werkte en niet langer arbeidsongeschikt was. Hierdoor was de uitkering over februari 2022 al uitbetaald. Het UWV beëindigde de uitkering per 13 januari 2022 en vorderde een bedrag van €4.016,57 bruto terug.
De rechtbank vernietigde dit besluit omdat de terugvordering niet correct was gemotiveerd en beperkte de terugvordering tot de periode 13 januari tot 28 februari 2022, maar handhaafde het bruto bedrag. Appellant voerde aan dat het bedrag te hoog was en dat zijn verwervingskosten en vakantiegeld niet in mindering waren gebracht. Ook stelde hij dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege financiële en gezondheidsproblemen.
In hoger beroep stelde het UWV het terug te vorderen bedrag bij tot €2.712,82 netto en erkende het vakantiegeld niet terug te vorderen. De Raad oordeelde dat het UWV terecht het netto bedrag terugvordert en dat er geen dringende reden is om van terugvordering af te zien, mede omdat appellant bewust de melding uitstelde tot na de proeftijd. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde zelf het terug te vorderen bedrag. Het griffierecht wordt aan appellant vergoed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bepaalt dat appellant een netto bedrag van €2.712,82 aan onverschuldigde WIA-uitkering moet terugbetalen en wijst het beroep toe.