Appellant, bekend met lichamelijke en psychische problematiek, vroeg op 16 juni 2023 zorg aan op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees de aanvraag op 29 september 2023 af, een besluit dat na bezwaar op 7 maart 2024 werd gehandhaafd. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat appellant geen blijvende behoefte heeft aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch advies onjuist was omdat geen persoonlijk gesprek had plaatsgevonden en dat een consult bij psychiater Van Dillen een psychische grondslag voor zorg bevestigt. Ook wees appellant op een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van het UWV. Het CIZ erkende de psychische stoornis als grondslag, maar handhaafde het standpunt dat geen blijvende behoefte aan 24-uurszorg bestaat.
De Raad concludeert dat het CIZ het onderzoek adequaat heeft uitgevoerd, ondanks het ontbreken van een persoonlijk gesprek, en dat de medische adviezen en stukken geen aanleiding geven tot een andere conclusie. De Raad bevestigt het bestreden besluit en veroordeelt het CIZ tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.