Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet, aanvankelijk volgens de kostendelersnorm. Na vertrek uit de woonsituatie bij haar schoonfamilie en het ontbreken van woonkosten, verlaagde het college haar bijstand met 20% op basis van beleidsregels. Appellante betwistte deze verlaging en voerde aan dat het beleid onevenredig is en dat er bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en bevestigde de verlaging. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college bevoegd is de bijstand te verlagen bij het ontbreken van woonkosten en dat het beleid, dat is gebaseerd op 20% van het wettelijk minimumloon, niet onredelijk is. De Raad stelt dat de verlaging niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat de eenmalige kosten niet meetellen voor vermindering van de verlaging.
Verder concludeert de Raad dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd dat er bijzondere omstandigheden zijn die een individuele afstemming of toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. De verlaging blijft daarom in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.