Uitspraak
18.977 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante woonde vanaf februari 2016 in een woning waarvan haar zoon eigenaar is. Zij vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam kende bijstand toe, maar verlaagde de norm met 20% omdat appellante geen woonkosten betaalde, aangezien haar zoon deze betaalde en er geen concrete terugbetalingsverplichting was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij wel woonkosten had, omdat zij volgens een overeenkomst van 1 maart 2016 de door haar zoon voorgeschoten woonkosten moest terugbetalen. De Raad oordeelde dat deze overeenkomst geen concrete terugbetalingsverplichting bevatte en dat appellante de kosten in de betreffende periode niet had terugbetaald.
Het college had op goede gronden de bijstandsnorm verlaagd conform de beleidsregels Rotterdam 2016, die een verlaging van 20% van het netto minimumloon voorschrijven indien woonkosten niet door de belanghebbende worden betaald. De Raad vond dit beleid niet kennelijk onredelijk en wees het beroep af. Ook de aangevoerde kwetsbare positie van appellante leidde niet tot toepassing van de hardheidsclausule.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 januari 2018 en wees de vordering van appellante af.
Uitkomst: De verlaging van de bijstandsnorm met 20% wordt bevestigd omdat appellante geen woonkosten betaalde en geen concrete terugbetalingsverplichting bestond.