In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de afwijzing van aanvragen om ontheffing van arbeidsverplichtingen door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Appellante, die sinds 1 maart 1997 bijstand ontvangt, had verzocht om een permanente ontheffing op basis van artikel 9 van de Participatiewet (PW) vanwege haar medische beperkingen. Het college had eerder een tijdelijke ontheffing verleend, maar weigerde de nieuwe aanvragen omdat appellante geen begin van bewijs had geleverd voor haar stelling dat zij niet in staat was om aan de arbeidsverplichtingen te voldoen. De Raad oordeelde dat appellante niet voldoende medische onderbouwing had gegeven en dat het college niet verplicht was om een medisch onderzoek te initiëren. De hoger beroepen van appellante werden afgewezen, en de eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam werden bevestigd. De Raad benadrukte dat het aan appellante was om aan te tonen dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, wat zij niet had gedaan. De uitspraak bevestigt de noodzaak voor aanvragers om voldoende bewijs te leveren bij aanvragen om ontheffing van arbeidsverplichtingen.