ECLI:NL:CRVB:2026:37

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
23/2821 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvragen voor algemene en bijzondere bijstand door onduidelijke financiële situatie van appellanten

In deze zaak gaat het om twee afwijzingen van aanvragen voor algemene en bijzondere bijstand door het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen. Appellanten, die eerder bijstand ontvingen, hebben herhaaldelijk aanvragen ingediend, maar deze zijn afgewezen vanwege onvoldoende inzicht in hun financiële situatie, die werd bemoeilijkt door de betrokkenheid van appellant bij een stichting. De Raad voor de Rechtspraak heeft geoordeeld dat de financiële onduidelijkheid ook na de uitschrijving van appellant als bestuurder van de stichting aan het vaststellen van het recht op bijstand in de weg staat. De Raad heeft echter wel een schadevergoeding toegekend aan appellanten wegens de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De uitspraak bevestigt de eerdere afwijzingen van de aanvragen om bijstand, maar erkent dat appellanten recht hebben op schadevergoeding vanwege de lange duur van de procedure. De Raad heeft de proceskosten van appellanten toegewezen aan zowel het college als de Staat der Nederlanden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 augustus 2023, 20/2861 en 20/2862 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellant 1] en [appellant 2] te Geleen (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 6 januari 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over twee afwijzingen van aanvragen voor algemene en bijzondere bijstand op de grond dat onvoldoende inzicht bestaat in de financiële situatie van appellanten. Volgens appellanten is aannemelijk dat zij vanaf het moment van uitschrijving van appellant als bestuurder van een stichting in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. De Raad geeft appellanten geen gelijk omdat de financiële onduidelijkheid als gevolg van de betrokkenheid bij deze stichting in de voorliggende periode ook aan het vaststellen van het recht op bijstand in de weg staat na het moment van uitschrijving. Appellanten krijgen wel een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F. Boukich, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek ingediend om vergoeding van schade als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Het college heeft incidenteel hoger beroep en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Appellanten hebben hun zienswijze over de incidenteel hoger beroepen naar voren gebracht.
De Raad heeft een regiebrief met vragen aan partijen gestuurd naar aanleiding van een uitspraak van de Raad in andere zaken van appellanten. Partijen hebben op deze brief gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 november 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boukich, die ook namens appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.L.J.H. Stevenhaagen. Ter zitting heeft het college het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingetrokken.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten ontvingen eerder bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet naar de norm voor gehuwden, totdat de bijstand medio 2017 is ingetrokken als gevolg van een te lang verblijf in het buitenland. In de periode van 25 augustus 2017 tot en met 14 mei 2019 hebben appellanten zich meerdere malen bij het college gemeld om aanvragen om bijstand in te dienen. Al deze aanvragen zijn door het college afgewezen – kort gezegd – op de grond dat onvoldoende duidelijkheid over de financiële situatie van appellanten bestaat door de betrokkenheid van appellant bij de door hem opgerichte stichting [naam stichting] (de stichting). Voor een uitgebreide weergave van deze besluiten verwijst de Raad naar zijn eerdere uitspraken, waarbij deze afwijzingen in stand zijn gebleven. [1]
1.2.
Appellanten hebben op 17 juli 2019 opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend (aanvraag 1). Daarnaast hebben appellanten op 17 juli 2019 en 16 oktober 2019 aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand en griffiekosten ingediend (aanvragen 2 en 3). Na de ontvangst van aanvullende stukken heeft het college met een besluit van 28 november 2019 (besluit 1), nader gemotiveerd met een brief van 18 december 2019 en na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 1 oktober 2020 (bestreden besluit 1), aanvragen 1 tot en met 3 afgewezen. Aan deze afwijzingen heeft het college met name dezelfde financiële onduidelijkheid rondom de stichting ten grondslag gelegd als aan de eerdere afwijzingen.
1.3.
Op 11 december 2019 hebben appellanten opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend (aanvraag 4). Appellanten hebben ook vanaf 12 november 2019 verschillende aanvragen om bijzondere bijstand voor verschillende kosten ingediend (aanvragen 5 tot en met 14). Het college heeft met een besluit van 19 maart 2020 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd met een afzonderlijk besluit van 1 oktober 2020 (bestreden besluit 2), de aanvragen 4 tot en met 14 afgewezen. Ook aan deze afwijzingen is voornamelijk ten grondslag gelegd dat de financiële onduidelijkheid rondom de stichting aan het recht op bijstand in de weg staat.
1.4.
Met een besluit van 5 oktober 2021 heeft het college appellanten per 19 maart 2020 bijstand naar de norm voor gehuwden toegekend.
1.5.
Tijdens het beroep tegen bestreden besluiten 1 en 2 heeft het college op 7 december 2021 een nader besluit genomen (bestreden besluit 3) over de bijzondere bijstandsaanvragen. Aan appellanten is alsnog bijzondere bijstand toegekend voor verschillende rechtsbijstandskosten. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat inmiddels aan appellanten met terugwerkende kracht bijstand is toegekend vanaf 19 maart 2020, zodat er in sommige gevallen gelet op het beleid van het college alsnog recht op bijzondere bijstand bestaat.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft bestreden besluit 3 gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken bij de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2. De rechtbank heeft de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard voor zover gericht tegen de afwijzingen van de aanvragen om bijzondere bijstand. De rechtbank heeft de beroepen tegen bestreden besluit 1 en 2 voor het overige ongegrond verklaard en ook het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het college in verband met de toepassing van artikel 6:22 van de Awb veroordeeld in de proceskosten van appellanten omdat appellanten een verweerschrift in bezwaar van 23 september 2020 pas als bijlage bij bestreden besluiten 1 en 2 hebben ontvangen waardoor zij daar pas in beroep op konden reageren.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het niet eens met de uitspraak van de rechtbank voor zover de beroepen ongegrond zijn verklaard. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.
Het standpunt van het college
4. Het college is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank voor zover het de veroordeling in de proceskosten betreft. Wat het college daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de afwijzingen van de aanvragen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. Daarnaast beoordeelt de Raad of de rechtbank terecht een proceskostenvergoeding heeft uitgesproken aan de hand van de beroepsgronden die het college in het incidenteel hoger beroep heeft ingediend. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Hoger beroep van appellanten: afwijzingen aanvragen om bijstand
5.1.
Zoals ter zitting is besproken, is in hoger beroep tussen partijen uitsluitend in geschil of appellanten aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de periode van 1 november 2019 tot en met 18 maart 2020 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.
5.2.
Appellanten hebben aangevoerd dat zij, gelet op de uitschrijving van appellant als bestuurder van de stichting uit de Kamer van Koophandel per 1 november 2019, aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de periode vanaf 1 november 2019 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden omdat door de uitschrijving ook de geldstromen zijn gestopt. Deze grond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
5.2.1.
De Raad heeft in de uitspraak van 29 april 2025 geoordeeld dat in de periode tot 27 juni 2019 onvoldoende inzicht bestond in de financiële situatie van appellanten, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. [2] Met de rechtbank overweegt de Raad dat er geen aanleiding bestaat voor een ander oordeel over de periode na 27 juni 2019 en daarmee ook niet voor de periode vanaf 1 november 2019. Zoals de rechtbank heeft overwogen blijkt uit het rapport van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) van 30 juli 2021 dat de boekhouding van de stichting niet betrouwbaar, niet (meer) verifieerbaar en niet controleerbaar is. Om die reden kan niet worden vastgesteld wat de werkelijke geldstromen naar en vanuit de stichting waren. In hoger beroep hebben appellanten geen concrete aanknopingspunten aangedragen die doen twijfelen aan deze conclusies van het IMK. Ook de stelling dat appellanten in deze periode verschillende schulden hadden betekent niet dat er geen financiële onduidelijkheid bestond in deze periode.
5.2.2.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen kan financiële onduidelijkheid in een voorafgaande periode ook van invloed zijn op het recht op bijstand in de daaropvolgende periode. Gelet op de financiële onduidelijkheid over mogelijke geldstromen in de periode voor 1 november 2019 is de enkele uitschrijving als bestuurder onvoldoende om aannemelijk te achten dat appellanten in de periode van 1 november 2019 tot en met 18 maart 2020 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden. De enige niet onderbouwde stelling dat appellant al in 2017 de kas had overgedragen aan zijn broer maakt dat, mede gelet op het oordeel van de Raad hierover in de eerdere uitspraken van de Raad in de zaken van appellanten, niet anders.
Incidenteel hoger beroep van het college: proceskostenvergoeding
5.3.
Het college heeft in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank het college ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten van appellanten. Deze grond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
5.3.1.
De Raad is het met het college eens dat de rechtbank ten onrechte het college in de proceskosten heeft veroordeeld op de grond dat appellanten pas in beroep op het aanvullende verweerschrift van 23 september 2020 – als reactie op de bezwaren van appellanten – konden reageren. Anders dan de rechtbank is de Raad namelijk van oordeel dat het niet sturen van het aanvullende verweerschrift van 23 september 2020 aan appellanten voorafgaand het nemen van de bestreden besluiten niet leidt tot een gebrek. Daartoe acht de Raad van belang dat in dit aanvullende verweerschrift geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb zijn opgenomen. Tijdens de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie op 14 september 2020 is duidelijk geworden dat het college nog niet had gekeken naar de op 12 september 2020 door appellanten ingestuurde (financiële) stukken. Daarom is afgesproken dat het college dat alsnog zou doen. Na het bekijken van de stukken is het college tot de conclusie gekomen dat, net als na eerdere verzoeken, niet alle gevraagde stukken waren ingeleverd. In verschillende contactmomenten met appellanten en hun gemachtigde heeft het college benadrukt welke stukken missen en dat deze nodig zijn voor een inhoudelijke beoordeling. In reactie hebben appellanten gemeld dat er niet meer stukken zullen worden ingeleverd en dat een beoordeling kan plaatsvinden aan de hand van wat is ingeleverd. In het aanvullend verweerschrift van 23 september 2020 heeft het college het voorgaande verloop opgesomd en de bezwaarschriftencommissie verzocht om een advies uit te brengen. Het aanvullend verweerschrift bevat dan ook geen feiten of omstandigheden die van aanmerkelijk belang kunnen zijn die op grond van artikel 7:9 van de Awb aan appellanten hadden moeten worden voorgelegd voordat de bestreden besluiten werden genomen.
5.3.2.
Wat onder 5.3.1 is overwogen, betekent echter niet dat de rechtbank ten onrechte het college heeft veroordeeld in de proceskosten van appellanten. Zoals met partijen ter zitting besproken, heeft het college namelijk tijdens de beroepsprocedure een nieuw besluit (bestreden besluit 3) genomen waarin, in afwijking van bestreden besluiten 1 en 2, alsnog gedeeltelijk bijzondere bijstand is toegekend aan appellanten. De rechtbank had daarom, gelet op artikel 6:19 Awb, om die reden tot een veroordeling in de proceskosten moeten komen. Dit deel van de uitspraak wordt dan ook bevestigd, met verbetering van de gronden.
Schadevergoeding
5.4.
Appellanten hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit verzoek wordt ingewilligd om de volgende redenen.
5.4.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [3] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
5.4.2.
De Raad volgt het standpunt van het college dat in deze zaken sprake is van omstandigheden die een langere behandelingsduur rechtvaardigen. De hoorzitting in bezwaar was namelijk aanvankelijk gepland op 30 maart 2020, die door beperkende maatregelen in verband met de COVID-19 pandemie niet kon doorgaan. Met een brief van 7 april 2020 heeft het college appellanten geïnformeerd dat er inmiddels een mogelijkheid tot digitaal horen door middel van videobellen was gerealiseerd en is hen gevraagd wat de gewenste wijze van afdoening van hun bezwaren is. Appellanten hebben daarop aangegeven gebruik te willen maken van de mogelijkheid om op zijn vroegst in juni 2020 fysiek gehoord te worden. Uiteindelijk heeft de fysieke hoorzitting op 29 juni 2020 plaatsgevonden. In deze omstandigheden ziet de Raad aanleiding om de redelijke termijn voor de bestuurlijke fase met drie maanden te verlengen. Anders dan het college heeft betoogd ziet de Raad geen reden om de termijn nog verder te verlengen vanwege het procesgedrag van appellanten in de bezwaarprocedure. Van veel uitstelverzoeken van de kant van appellanten is geen sprake. Dat de behandeling van de bezwaren uiteindelijk ook lang heeft geduurd omdat veel stukken ingeleverd moesten worden en er eerst geen overeenstemming was over de wijze van indienen van deze stukken is geen reden om de redelijke termijn verder te verlengen.
5.4.3.
In beginsel kent de Raad in procedures die gaan over bijstand naar de norm van gehuwden bij een overschrijding van de redelijke termijn een schadevergoeding toe aan de betrokkenen tezamen. [4] Het bezwaar tegen besluit 1 is op 17 december 2019 door het college ontvangen. Dit betekent dat de redelijke termijn op het moment van deze uitspraak met ruim anderhalf jaar (in totaal 22 maanden, rekening houdend met de onder 5.4.2 genoemde verlenging) is overschreden. In beginsel is passend een vergoeding van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden, in dit geval in totaal € 2.000,-. Het college heeft de termijn van negen maanden voor de bezwaarprocedure met één maand overschreden. Daarom komt € 91,- (1/22e deel) voor rekening van het college en de rest (€ 1.909,-, 21/22e deel) voor rekening van de Staat. De overschrijding van de redelijke termijn in de procedure over besluit 2 leidt niet tot een hogere schadevergoeding. Alle procedures hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Van extra spanning en frustratie bij appellanten door de tweede procedure was daarom geen sprake. Met betrekking tot die procedure kan daarom worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden. Dit betekent dat het college zal worden veroordeeld tot het vergoeden van schade aan appellanten tot een bedrag van € 91,-. De Staat zal worden veroordeeld tot het vergoeden van schade aan appellanten tot een bedrag van € 1.909,-.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep slagen dus niet. De aangevallen uitspraak wordt, met verbetering van de gronden, bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de afwijzingen van de aanvragen om bijstand en de veroordeling van het college in de proceskosten van appellanten in stand blijven. Wel krijgen appellanten een schadevergoeding als gevolg van de schending van de redelijke termijn.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten met betrekking tot het hoger beroep en het betaalde griffierecht. Gelet op het niet slagen van het incidenteel hoger beroep en het intrekken van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep bestaat er wel aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten, namelijk 1 punt voor het indienen van een zienswijze met, gelet op het gewicht van de incidenteel hoger beroepen, een wegingsfactor 0,5 voor in totaal € 467,-. Daarnaast bestaat aanleiding om de Staat en het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in de schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 467,- ten laste van de Staat en € 467,- ten laste van het college voor verleende rechtsbijstand, namelijk 1 punt voor het verzoek en 1 punt voor de zitting met een wegingsfactor van 0,5.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
  • veroordeelt het college tot vergoeding van schade aan appellanten tot een bedrag van € 91,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade aan appellanten tot een bedrag van € 1.909,-;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 934,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en A.M. Overbeeke en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2026.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) J. Bonnema

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van 31 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:831 en van 29 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:747.
2.Zie de uitspraak van 29 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:747.
3.Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1738.