Appellanten hebben meerdere aanvragen voor algemene en bijzondere bijstand ingediend die door het college zijn afgewezen vanwege onvoldoende inzicht in hun financiële situatie, met name door onduidelijkheid rondom de stichting waarbij appellant bestuurder was. De Raad oordeelt dat de financiële onduidelijkheid ook na de uitschrijving als bestuurder bleef bestaan, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de proceskostenveroordeling, maar dit beroep wordt verworpen. De Raad bevestigt dat het college terecht in de proceskosten is veroordeeld vanwege het nemen van een nieuw besluit waarin alsnog bijzondere bijstand werd toegekend.
Appellanten krijgen een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure, waarbij de Raad rekening houdt met de COVID-19-pandemie en de complexiteit van de zaak. De totale vergoeding bedraagt € 2.000,-, waarvan een deel voor rekening van het college en een deel voor de Staat komt.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af, maar verbetert de motivering van de proceskostenveroordeling en de toekenning van de schadevergoeding.