Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:362

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
25/1638 TBSH
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 TBSHArt. 3 TBSHArt. 8:109 AwbArt. 1 ToescheidingsovereenkomstArt. 2 Toescheidingsovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning tegemoetkoming ouderen Surinaamse herkomst ondanks leeftijdsvoorwaarde

Betrokkene, geboren in 1948 in Suriname, was op 16-jarige leeftijd getrouwd en verhuisde in 1966 met haar gezin naar Nederland, vóór de onafhankelijkheid van Suriname. Zij vroeg een tegemoetkoming aan op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH), maar haar aanvraag werd afgewezen omdat zij jonger was dan achttien jaar bij aankomst in Nederland.

De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en oordeelde dat de leeftijdsvoorwaarde niet mag worden toegepast op personen die gehuwd waren bij aankomst, omdat zij volgens de Toescheidingsovereenkomst als meerderjarig worden beschouwd. De minister ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt dat toepassing van de leeftijdsvoorwaarde op gehuwde minderjarigen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat zij juridisch als meerderjarig werden beschouwd en dus bewust de keuze konden maken om naar Nederland te verhuizen. De minister moet daarom alsnog de tegemoetkoming van € 5.000,- toekennen.

De Raad benadrukt dat het TBSH een politiek-bestuurlijke regeling is, maar dat fundamentele rechten zoals het gelijkheidsbeginsel een terughoudende toetsing door de rechter rechtvaardigen. De Raad heft het griffierecht van € 579,- bij de minister en wijst proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De minister moet de tegemoetkoming van € 5.000,- toekennen aan betrokkene ondanks haar leeftijd bij aankomst in Nederland vanwege haar huwelijkse status.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1638 TBSH
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2025, 24/7459 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 9 april 2026

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om betrokkene in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst. Betrokkene is in haar geboorteland Suriname op 16jarige leeftijd getrouwd en op 17-jarige leeftijd moeder geworden. Vervolgens is ze op [datum] 1966, dus voordat Suriname onafhankelijk werd, vanuit Suriname naar Nederland verhuisd. Op de TBSH-aanvraag van betrokkene is afwijzend beslist op de grond dat betrokkene jonger was dan achttien jaar toen zij naar Nederland verhuisde. De Raad is net als de rechtbank van oordeel dat deze afwijzing onterecht is. Toepassing van de leeftijdsvoorwaarde ten opzichte van personen die gehuwd waren toen zij in Nederland kwamen wonen is in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat deze personen meerderjarig waren in de zin van de Toescheidingsovereenkomst.

PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2026. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek, mr. R. de Regt, mr. G.E. Eind, en mr. P. van der Voorn. Betrokkene is in persoon verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten van belang.
1.1.
Betrokkene is op [geboortedatum] 1948 in Suriname geboren. Op 16-jarige leeftijd is zij in Suriname getrouwd en op 17-jarige leeftijd is zij moeder geworden. Vervolgens is zij op [datum] 1966 met haar partner en kind naar Nederland verhuisd en is zij gaan werken. Sindsdien heeft betrokkene in Nederland gewoond. Aan betrokkene is een AOW-pensioen toegekend waarop een korting van 4% toegepast, omdat zij van 6 december 1963 tot en met 14 mei 1966 niet verzekerd was voor de AOW.
1.2.
Betrokkene heeft een tegemoetkoming aangevraagd op grond van het TBSH. [1] Bij besluit van 15 augustus 2024, is afwijzend op deze aanvraag beslist.
1.3.
Betrokkene heeft tegen het onder 1.2 genoemde besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 1 november 2024 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene niet voldoet aan de voorwaarde in het TBSH dat zij achttien jaar of ouder was op het moment dat zij in Nederland kwam wonen. Volgens de minister bestaat er geen ruimte om af te wijken van de in het TBSH gestelde voorwaarden en worden hierop dan ook geen uitzonderingen gemaakt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen en bepaald dat de minister een tegemoetkoming van € 5.000,- aan betrokkene toekent.
2.1.
Volgens de rechtbank ligt aan de in het TBSH gestelde leeftijdsvoorwaarde een politiek-bestuurlijke afweging ten grondslag die de rechtbank heeft te respecteren. De rechtbank kent doorslaggevende betekenis toe aan de uitdrukkelijke bedoeling van de minister, het onverplichte en begunstigende karakter van het Tijdelijk besluit dat is bedoeld als een gebaar van erkenning voor een geselecteerde groep ouderen van Surinaamse afkomst en de in dat verband dwingend vastgestelde toekenningsvoorwaarden, die de terughoudende toets kunnen doorstaan.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank moet de leeftijdsvoorwaarde echter buiten toepassing blijven ten aanzien van personen die bij aankomst in Nederland minderjarig maar gehuwd waren. De wetgever heeft bewust willen aansluiten bij de Toescheidingsovereenkomst en het feit dat men handelingsbekwaam moest zijn om zelfstandig de keuze te maken om naar Nederland te komen. Door ten aanzien van gehuwde minderjarigen onverkort een leeftijdsvoorwaarde te hanteren, wordt voorbijgegaan aan hun destijds geldende juridische status zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond is. Gehuwde minderjarigen werden namelijk voor de toepassing van de Toescheidingsovereenkomst als meerderjarig beschouwd. Zij moesten op grond van de Toescheidingsovereenkomst met het oog op het behoud van het Nederlanderschap naar Nederland komen en waren handelingsbekwaam om zelfstandig naar Nederland te komen. Verder is de specifieke positie van gehuwde minderjarigen die voor de onafhankelijkheid van Suriname naar Nederland zijn gekomen, noch in de toelichting op het Tijdelijk besluit, noch in de parlementaire behandeling aan de orde geweest.
Het standpunt van de minister
3. De minister is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft verzocht de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en het beroep in eerste aanleg alsnog ongegrond te verklaren. Volgens de minister had de rechtbank, vanwege het onverplichte en begunstigende karakter van het Tijdelijk besluit, de evenredigheid terughoudender moeten toetsen en niet tot het oordeel kunnen komen dat de leeftijdsvoorwaarde van achttien jaar voor gehuwde minderjarigen buiten toepassing moet blijven. De situatie van de groep gehuwde minderjarigen onderscheidt zich volgens de minister niet in het bijzonder ten opzichte van de (andere) groepen minderjarigen die bewust hebben gekozen om naar Nederland te komen. Door te oordelen dat deze groep minderjarigen ook geacht kan worden tot de doelgroep te behoren heeft de rechtbank naar eigen inzicht een belangenafweging gemaakt. Die afweging is echter voorbehouden aan de regelgever, die heeft bepaald dat het eenmalige bedrag alleen toekomt aan degenen die achttien jaar waren op het moment dat zij in Nederland kwamen wonen.
Het standpunt van betrokkene
4. Betrokkene heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daarbij heeft zij benadrukt dat zij op het moment dat zij in 1966 in Nederland kwam wonen volgens de wet meerderjarig was en er dus weloverwogen voor heeft gekozen om met haar gezin van Suriname naar Nederland te verhuizen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd en heeft bepaald dat de minister het eenmalige bedrag van € 5.000,- toekent. De Raad doet dit aan de hand van wat de minister in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van de minister niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Juridisch kader
5.1.
Op 1 juni 2024 is het TBSH in werking getreden. Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de Algemene Ouderdomswet is opgebouwd, en de politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen. Dit is bepaald in artikel 2 van Pro het TBSH.
5.2.
Iemand heeft recht op € 5.000,- als gebaar van erkenning voor ervaren onrecht, indien hij of zij:
uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;
voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;
ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en
op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.
Dit is bepaald in artikel 3 van Pro het TBSH.
Artikel 3, aanhef en onder c moet buiten toepassing worden gelaten voor personen die gehuwd waren toen zij in Nederland kwamen wonen
5.3.
Het TBSH, met inbegrip van de daarin opgenomen criteria die de grens bepalen tussen personen die wel, en personen die geen aanspraak kunnen maken op de tegemoetkoming, is bij uitstek het resultaat van een politiek-bestuurlijke afweging. De Raad heeft dit gemotiveerd overwogen in zijn uitspraak van vandaag, nummer 25/1395. [2] Een verzoek om rechterlijke toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een besluit waarbij de aanvraag om een tegemoetkoming is afgewezen omdat de aanvrager niet aan alle voorwaarden voldoet, vraagt dan ook om een zeer terughoudende rechterlijke benadering als omschreven in de uitspraak van de Raad van 18 april 2024. [3] Deze terughoudendheid vindt, zoals gezegd, zijn grens waar fundamentele rechten aan de orde zijn waarop de betrokkene zich bij de rechter rechtstreeks kan beroepen. [4]
5.4.
Toepassing van de leeftijdsvoorwaarde moet wel de toetsing aan het gelijkheidsbeginsel kunnen doorstaan. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene terecht aangevoerd dat toepassing van de leeftijdsvoorwaarde in haar geval in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat zij bij aankomst in Nederland gehuwd was en dus meerderjarig in de zin van de Toescheidingsovereenkomst, net zoals personen van achttien jaar en ouder. De Raad baseert dit oordeel op het volgende.
5.5.
Uit de nota van toelichting bij het TBSH blijkt dat met de voorwaarde dat de persoon achttien jaar of ouder was op het moment van de verhuizing naar Nederland, tot uitdrukking is gebracht dat de verhuizing naar Nederland een welbewuste keuze moet zijn geweest. Bij deze leeftijd kan er volgens de nota van toelichting van uitgegaan worden dat iemand een bewuste keuze heeft gemaakt om naar Nederland te verhuizen of in Suriname te blijven wonen. Deze leeftijd sluit, aldus de nota van toelichting, aan bij de Toescheidingsovereenkomst, waarin expliciet is geregeld dat iemand op 18-jarige leeftijd meerderjarig is en zelfstandig de keuze voor Nederland of Suriname kon maken. [5] Tijdens de parlementaire behandeling is nog toegelicht dat werd gekozen voor de leeftijd van achttien jaar omdat men dan handelingsbevoegd is en zelf keuzes kan maken. [6]
5.6.
De regelgever heeft dus een objectiveerbare, bij de Toescheidingsovereenkomst aansluitende maatstaf willen aanleggen om vast te stellen op welk moment iemand bewust de keuze voor Nederland of Suriname kon maken. De keuze om in Nederland te gaan wonen en Nederlander te blijven moet zijn gemaakt uiterlijk op de dag van inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst. Verder blijkt uit de nota van toelichting dat de tegemoetkoming is bedoeld voor personen die op grond van de Toescheidingsovereenkomst de Nederlandse nationaliteit zouden verliezen als zij in Suriname bleven wonen. [7] Om die reden is in artikel 3, aanhef en onder a, de voorwaarde opgenomen dat de persoon “met het oog op de Toescheidingsovereenkomst” naar Nederland is gekomen.
5.7.
Voor de toepassing van de Toescheidingsovereenkomst verkeerden personen die voor hun achttiende verjaardag in het huwelijk waren getreden in precies dezelfde situatie als personen die de achttienjarige leeftijd hadden bereikt. In de Toescheidingsovereenkomst is immers expliciet geregeld dat degenen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt of vroeger in het huwelijk zijn getreden, meerderjarig zijn in de zin van deze overeenkomst. [8] Verder is bepaald dat alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst in Suriname woonplaats of werkelijk verblijf hadden, de Surinaamse nationaliteit verkregen. [9] Dit had het verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. [10] In de zin van het Burgerlijk Wetboek waren gehuwde personen meerderjarig [11] en daarmee handelingsbekwaam, zodat zij rechtens geacht worden bewust de keuze te hebben kunnen maken om in Nederland te komen wonen.
5.8.
De Raad constateert dat personen van Surinaamse herkomst die uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland zijn komen wonen en toen gehuwd waren, in de zin van het TBSH volledig vergelijkbaar zijn met personen toen zij in Nederland kwamen wonen de achttienjarige leeftijd al hadden bereikt. Uit de nota van toelichting bij het TBSH en uit de totstandkomingsgeschiedenis van het TBSH blijkt niet van enige reden die zou rechtvaardigen waarom de eerstgenoemde groep nadeliger zou moeten worden behandeld dan laatstgenoemde groep. Ook tijdens de procedure heeft de minister voor het verschil in behandeling geen rechtvaardigingsgrond aangedragen.
5.9.
De Raad komt daarom tot de conclusie dat onverkorte toepassing van artikel 3, aanhef en onder c, van het TBSH met als gevolg dat personen van Surinaamse herkomst die uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland zijn komen wonen en eerder in het huwelijk waren getreden worden uitgesloten van de tegemoetkoming, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Deze bepaling moet daarom voor die personen buiten toepassing worden gelaten. Dit betekent dat de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd.

Conclusie en gevolgen

5.10.
Het hoger beroep van de minister slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de minister het TBSH-gebaar van € 5.000,- alsnog aan betrokkene moet toekennen en uitbetalen.
6. Omdat het hoger beroep van de minister niet slaagt en de aangevallen uitspraak in stand blijft, moet, ingevolge artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, griffierecht van de minister worden geheven. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gebleken dat betrokkene proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- bepaalt dat van de minister een griffierecht van € 579,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Kaderwet SZW-subsidies
Artikel 1, eerste lid
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of Onze Minister die belast is met de zorg voor een of meer onderdelen van het beleid, genoemd in artikel 2.
Artikel 2
Onze Minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in:
het werkgelegenheidsbeleid en het arbeidsmarktbeleid;
het arbeidsomstandighedenbeleid;
het arbeidsverhoudingenbeleid;
het inkomensbeleid;
het socialezekerheidsbeleid;
het kinderopvangbeleid;
het inburgeringsbeleid en het integratiebeleid.
Het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst is een regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering ervan is nadien overgenomen door andere bewindslieden die vallen onder het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Artikel 3, eerste lid
Onverminderd hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister terzake van de verstrekking van subsidieregels worden gesteld met betrekking tot:
de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt en wie daarvoor in aanmerking komt;
het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;
de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover;
e voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;
de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;
de vaststelling van de subsidie;
intrekking en wijziging van de subsidieverlening of -vaststelling;
de betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten;
andere criteria voor de verstrekking van subsidie.
Artikel 9
Deze wet is, met uitzondering van artikel 3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op spoedeisende, tijdelijke verstrekking door Onze Minister van aanspraken op financiële middelen, niet zijnde subsidies, behoudens indien die aanspraak wordt verstrekt krachtens een andere wet.
Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst
Artikel 2 Doel Pro van het besluit
Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de Algemene Ouderdomswet is opgebouwd, en de politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen.
Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname
Artikel 1
1. Meerderjarig in de zin van deze overeenkomst zijn zij die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt of vroeger in het huwelijk zijn getreden. (…)
Artikel 2
1. Het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit ingevolge deze Overeenkomst heeft verlies van het Nederlanderschap tot gevolg.
2. Het verkrijgen van het Nederlanderschap ingevolge deze Overeenkomst heeft verlies van de Surinaamse nationaliteit tot gevolg.
Artikel 3
De Surinaamse nationaliteit verkrijgen alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben.
Artikel 1:233 van Pro het Burgerlijk Wetboek zoals dat luidde tot 1 januari 1988:
Minderjarigen zijn zij, die de ouderdom van een en twintig jaren niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest.

Voetnoten

1.Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst.
2.Uitspraak van de Raad van 9 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:359.
3.Uitspraak van de Raad van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:748.
4.Uitspraak van de Raad van 6 april 2026, ECLI:NL:CRVB:359, punt 9.4.
5.Besluit van 6 oktober 2023, houdende de toekenning van een eenmalig bedrag aan ouderen van Surinaamse herkomst, Stb. 2023, 386, p. 9.
6.Kamerstukken II 2022/23, 20 361, nr. 220, p. 31.
7.Besluit van 6 oktober 2023, houdende de toekenning van een eenmalig bedrag aan ouderen van Surinaamse herkomst, Stb. 2023, 386, p. 9.
8.Artikel 1, eerste lid, van de Toescheidingsovereenkomst, Trbl. 1975, 132.
9.Artikel 3 van Pro de Toescheidingsovereenkomst.
10.Artikel 2, eerste lid, van de Toescheidingsovereenkomst.
11.Artikel 1:233 van Pro het Burgerlijk Wetboek (tekst tot 1 januari 1988).