ECLI:NL:CRVB:2026:353
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toename arbeidsongeschiktheid op 12 mei 2010 en 1 februari 2011
Appellant, werkzaam als monteur, meldde zich in 2008 ziek met rugklachten en ontving diverse uitkeringen op grond van Ziektewet en Werkloosheidswet. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen per diverse data, waaronder 12 mei 2010 en 1 februari 2011, omdat geen toename van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit.
In hoger beroep betwistte appellant dat hij op genoemde data geen aanvullende beperkingen had, mede vanwege het gebruik van Diazepam. Een expertiserapport stelde dat het gebruik van Diazepam tot extra beperkingen zou moeten leiden, maar de Raad concludeerde op basis van medische gegevens en huisartsverklaringen dat appellant op die data geen of geen relevante Diazepamgebruik had. De stelling van incidenteel gebruik werd niet onderbouwd.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het bestreden besluit. Tevens werd vastgesteld dat de procedure de redelijke termijn had overschreden met ruim een jaar, waardoor appellant recht heeft op een schadevergoeding van €1.500,-, waarvan het UWV en de Staat een deel betalen. Beide partijen werden ook in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.