Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:314

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23/2254 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 PWArt. 12 PWArt. 20 PWArt. 44 lid 2 PWArt. 44a PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand jongmeerderjarige wegens onvoldoende onderzoek en motivering vernietigd

Appellant, een jongmeerderjarige onder bewind, vroeg bijzondere bijstand aan voor noodzakelijke bestaanskosten. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet zelfstandig woonde en verwees onterecht naar beleidsregels die alleen voor zelfstandig wonenden gelden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep.

De Raad oordeelt dat appellant geen procesbelang heeft bij het hoger beroep over arbeidsverplichtingen omdat hij inmiddels een Wajong-uitkering ontvangt en geen sancties zijn opgelegd. Wel slaagt het hoger beroep tegen de afwijzing van de bijzondere bijstand. Het college heeft nagelaten een verplicht onderzoek te doen naar de noodzakelijke kosten en heeft onvoldoende gemotiveerd. Het verwijzen naar niet-toepasselijke beleidsregels was onjuist.

De Raad vernietigt het bestreden besluit en herroept het eerdere besluit, kent appellant alsnog bijzondere bijstand toe van €1.100 over de periode maart-september 2021 en wijst een aanvullende schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens worden proceskosten en griffierechten aan appellant vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt deels gegrond verklaard, het besluit tot afwijzing van bijzondere bijstand wordt vernietigd en bijzondere bijstand en schadevergoeding worden toegekend.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/2254 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 juni 2023, 21/5927 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 10 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of appellant een procesbelang heeft bij beoordeling van de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de aan hem opgelegde arbeidsverplichtingen. De Raad is van oordeel dat dit niet het geval is. Het hoger beroep wordt daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft tegen de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van het destijds geldende artikel 12 van Pro de Participatiewet (PW) aangevoerd dat het college aan het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig onderzoek en een onvoldoende draagkrachtige motivering ten grondslag heeft gelegd. Deze grond slaagt. Het college heeft ten onrechte nagelaten het in dit kader verplichte onderzoek te verrichten en bij de afwijzing ten onrechte gewezen op de in dit geval niet toepasselijke beleidsregels. De Raad voorziet zelf in de zaak door alsnog bijzondere bijstand aan appellant toe te kennen. Verder kent de Raad aan appellant een aanvullende schadevergoeding toe in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 januari 2026, waar de zaak gelijktijdig is behandeld met de zaak 23/2537 PW van de moeder van appellant. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sprakel en zijn bewindvoerder [naam bewindvoerder] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Bergacker en F. Silva de Jesus. In de zaak 23/2537 PW is vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan.
Appellant heeft verzocht om een aanvullende schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn gelet op de procedure in hoger beroep. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is bij het bereiken van de leeftijd van achttien jaar onder bewind gesteld. Zijn moeder is zijn bewindvoerder. Appellant woonde eerst samen met zijn moeder in de gemeente Alphen aan den Rijn en ontving daar bijstand naar de jongerennorm op grond van de PW. Op 13 maart 2021 zijn appellant en zijn moeder samen verhuisd naar een woning in de gemeente Leiden en heeft hij aldaar bijstand aangevraagd.
1.2.
Het college heeft aan appellant met een besluit van 25 maart 2021 met ingang van 13 maart 2021 bijstand naar de jongerennorm op grond van artikel 20 van Pro de PW, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2026, toegekend. Daarbij heeft het college gewezen op de voor appellant, gelet op het vastgestelde plan van aanpak, geldende arbeidsverplichtingen.
1.3.
Met een besluit van 26 maart 2021 heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor noodzakelijke bestaanskosten op grond van artikel 12 zoals Pro dit artikel luidde tot 1 januari 2026 (artikel 12 (oud)) van de PW afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant inwoont bij zijn moeder en geen extra noodzakelijke kosten van het zelfstandig wonen heeft die de bijstandsnorm van 18 tot
21 jaar te boven gaan. Het college verwijst daarbij naar artikel 4 van Pro de op dat moment toepasselijke beleidsregels.
1.4.
Naar aanleiding van het bezwaar tegen het besluit van 26 maart 2021 heeft er
e-mailcorrespondentie tussen de bewindvoerder van appellant en een klantmanager
Werk en Inkomen van de gemeente Leiden plaatsgevonden. In een e-mailbericht van
20 april 2021 van de klantmanager aan de bewindvoerder van appellant staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“(…) Je stuurde met je aanvraag deze lijst mee. Ik heb erachter geschreven waar je de kosten uit zou moeten voldoen. (…) Als ik dan sec de kosten bekijk die noodzakelijk zijn voor jouw zoon kom ik uit op (…) € 206,63. Dan blijft er nog € 45,00 over voor meerkosten die je hebt zoals een extra fles wasmiddel, gas, water, licht en extra kosten aan bv telefoon. Ik begrijp echt heel goed dat het bijna niet te doen is. Maar dat ik het begrijp helpt niets, want ik kan er niets aan veranderen. Want met deze kosten heb je nog niet eens gegeten. Dat besef ik heel goed. (…) En nu heb je te maken met een jongere van 18-20 jaar. De wet heeft vastgelegd dat dit bedrag (€ 252,68) voldoende is voor die leeftijd. Als hij op zichzelf woont en jij kan dan niet bijdragen in de kosten voor zijn levensonderhoud, dan is er pas bijzondere bijstand mogelijk. Dat is zo vastgelegd in onze beleidsregels die aanvullend zijn op de wet (artikel 12) en dat zou je dan moeten aanvragen voor hem. Ik kan dan ook niets anders doen dan de bijzondere bijstand voor deze opnieuw afwijzen omdat er geen wijzigingen in je situatie heeft plaatsgevonden. (…)”
1.5.
Met een besluit van 28 juli 2021 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 25 en 26 maart 2021 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregels bijzondere bijstand 2020 (de Raad leest: 2021) (beleidsregels) wordt aan de zelfstandig wonende alleenstaande, jonger dan 21 jaar, op grond van artikel 12 van Pro de PW een toeslag verstrekt voor de noodzakelijke extra kosten van het zelfstandig wonen tot het niveau van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor een 21-jarige. Appellant is inwonend bij zijn moeder en komt daarom niet in aanmerking voor een toeslag zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de beleidsregels. Verder is in overweging genomen dat de voor appellant en zijn moeder van toepassing zijnde bijstandsnormen geacht worden toereikend te zijn om in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten te voorzien, dat appellant dus zelf aannemelijk moet maken dat hij noodzakelijke kosten van het bestaan heeft die uitgaan boven de bijstandsnorm en dat hij daarin niet is geslaagd.
1.6.
Na het bestreden besluit is aan appellant met terugwerkende kracht met ingang van
1 september 2021 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Ook heeft de rechtbank de Staat veroordeeld tot vergoeding aan appellant van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500,-.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank waarbij zijn beroep ongegrond is verklaard. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep ten aanzien van de op grond van artikel 9, eerste lid, van de PW, zoals deze bepaling luidde tot 1 januari 2026, opgelegde verplichtingen niet-ontvankelijk is en met betrekking tot de bijzondere bijstand slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De Raad komt verder tot het oordeel dat aan appellant een aanvullende schadevergoeding moet worden toegekend in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
Hoger beroep over de arbeidsverplichtingen niet-ontvankelijk
4.1.
De Raad ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of appellant een procesbelang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op de aan hem op grond van artikel 9, eerste lid, (oud) van de PW opgelegde verplichtingen. De Raad is van oordeel dat dat niet het geval is en licht dit als volgt toe.
4.1.1.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak [1] bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.
4.1.2.
Aan appellant is inmiddels met terugwerkende kracht een Wajong-uitkering toekend en niet in geschil is dat aan appellant geen maatregelen zijn opgelegd in verband met het niet naleven van de aan hem opgelegde verplichtingen. Het geschil ziet in zoverre op een al verstreken periode en een inhoudelijk oordeel over dit deel van het bestreden besluit is niet van belang voor een toekomstige periode. Appellant heeft aangevoerd dat het college ten onrechte aan hem verplichtingen heeft opgelegd en meent dat dit onrecht in rechte vastgesteld moet worden. Dit is echter slechts een principieel belang. Dat is, gelet op 4.1.1, onvoldoende om procesbelang aan te nemen. Anders dan appellant betoogt, kan ook geen procesbelang worden ontleend aan de omstandigheid dat het college geen vergoeding heeft toegekend voor de door appellant gemaakte kosten in bezwaar. Dit is vaste rechtspraak. [2]
Hoger beroep over de aanvraag om bijzondere bijstand slaagt
4.2.
Appellant heeft over de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van artikel 12 (oud) van de PW aangevoerd dat het college aan het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig onderzoek en een onvoldoende draagkrachtige motivering ten grondslag heeft gelegd. Deze grond slaagt. Dit wordt als volgt toegelicht.
4.2.1.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. In het kader van een aanvraag als onderhavig betekent dat onder meer dat de aanvrager daarom feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken die duidelijkheid geven over zijn financiële situatie.
4.2.2.
De bijstandverlenende instantie heeft echter ook een onderzoeksplicht. Dat brengt in het algemeen mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Zoals de Raad eerder onder de (nagenoeg) gelijkluidende voorgangers van artikel 12 (oud) van de PW heeft overwogen, rust bij de beoordeling van een aanvraag om bijstand voor de noodzakelijke bestaanskosten van een jongmeerderjarige op het bijstandverlenend orgaan in het bijzonder de plicht om zich een zo goed mogelijk beeld te vormen over de hoogte van de noodzakelijke bestaanskosten van de aanvrager. Hierbij is een gericht onderzoek naar alle van belang zijnde omstandigheden van de aanvrager nodig. [3]
4.2.3.
Zoals blijkt uit het bestreden besluit en onderliggende stukken heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op grond van het enkele feit dat appellant niet zelfstandig woonde. Daarbij is verwezen naar artikel 4 van Pro de beleidsregels. Naar de door appellant bij de aanvraag en in bezwaar gestelde feiten over zijn bestaanskosten heeft het college verder geen (kenbaar) onderzoek verricht. Zoals ter zitting met partijen is besproken en vastgesteld, ziet artikel 4 van Pro de beleidsregels alleen op de situatie dat de betrokkene zelfstandig woont. Dat is hier niet het geval. Dit artikel is hier dus niet van toepassing en had niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen worden gelegd. Verder heeft het college in de motivering van het bestreden besluit wel een slotzin opgenomen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hogere noodzakelijke bestaanskosten heeft, maar deze zin is niet nader geconcretiseerd of toegelicht.
4.2.4.
Daarnaast is ter zitting vastgesteld dat het college geen ander beleid dan de hiervoor genoemde beleidsregels hanteert bij de beoordeling van een aanvraag op grond van
artikel 12 (oud) van de PW. Dat betekent dat het college het in 4.2.2 vermelde onderzoek had moeten verrichten. Uit de gedingstukken blijkt niet dat het college dit onderzoek heeft verricht. De eerst ter zitting in hoger beroep door het college geuite tegenwerping dat appellant zijn kosten voor voeding niet met stukken als bankafschriften en bonnetjes heeft onderbouwd, had het college in het kader van dit onderzoek aan appellant moeten voorhouden. Dan was appellant ook in de gelegenheid geweest om daarop te reageren en zo mogelijk met deze onderbouwing te komen. Dit heeft het college echter niet gedaan. Het college heeft appellant daarentegen in bezwaar, zoals blijkt uit de onder 1.4 opgenomen
e-mailcorrespondentie, – kort gezegd en in strijd met artikel 12 (oud) van de PW – voorgehouden dat er geen bijzondere bijstand mogelijk is zolang hij bij zijn moeder inwoont en dat bij de beoordeling van zijn aanvraag verder niet relevant is of hij meer noodzakelijke bestaanskosten heeft dan in zijn norm zijn inbegrepen.
4.2.5.
Gelet op 4.2.4 is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het gelet op 4.2.3 ook niet op een voldoende draagkrachtige motivering. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd. De Raad ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welk gevolg daaraan moet worden gegeven.
4.2.6.
Het college heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot herstel als sprake zou zijn van de onder 4.2.5 weergegeven gebreken. Ter zitting is met beide partijen afgesproken dat de Raad in dat geval zelf in de zaak zal voorzien door te bepalen dat het college aan appellant bijzondere bijstand toekent van in totaal € 1.100,- over de periode van 13 maart 2021 tot 1 september 2021 (€ 200,- per maand gedurende ongeveer 5,5 maanden). De Raad zal daarom hierna zo beslissen.
Aanvullende schadevergoeding in verband met overschrijding redelijke termijn
4.3.
Appellant heeft ter zitting een aanvullend verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn ingediend. Deze schadevergoeding zal worden toegekend. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.3.1.
Een rechterlijke procedure moet binnen een redelijke termijn worden afgerond. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling in bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden.
4.3.2.
Vanaf de indiening van het bezwaarschrift van appellant op 4 mei 2021 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en (afgerond) elf maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met elf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden. Omdat in beroep bij de rechtbank al een bedrag aan schadevergoeding is toegekend van € 500,- bestaat in hoger beroep aanleiding voor een aanvullende schadevergoeding. De Staat wordt daarom aanvullend nog veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 500,-.

Conclusie en gevolgen

5. Appellant heeft geen procesbelang bij beoordeling van de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de aan appellant op grond van artikel 9, eerste lid, (oud) van de PW opgelegde verplichtingen. Het hoger beroep zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat de Raad niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep op dit punt. Het hoger beroep slaagt wel ten aanzien van de afwijzing van de bijzondere bijstand. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten in zoverre worden vernietigd. Ook zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het besluit van 26 maart 2021 te herroepen en zoals vermeld onder 4.2.6. Verder zal aan appellant een aanvullende schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn worden toegekend.
6. Omdat het hoger beroep slaagt krijgt appellant een vergoeding voor de kosten die hij in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft gemaakt voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 5.068,- (2 punten voor het indienen van het bezwaarschrift en het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde van € 666,- per punt, 4 punten voor het indienen van het beroepschrift en het hoger beroepschrift en het bijwonen van de zittingen in beroep en in hoger beroep, met een waarde van € 934,- per punt). Appellant krijgt ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.
6.1.
Ook bestaat aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant voor het verzoek tot vergoeding van schade wegens schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en met een wegingsfactor van 0,5). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover dat betrekking heeft op de op grond van artikel 9, eerste lid, van de PW opgelegde verplichtingen;
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen het besluit van 28 juli 2021 ongegrond is verklaard;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 juli 2021 voor wat betreft de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van artikel 12 (oud) van de PW;
  • herroept het besluit van 26 maart 2021 en bepaalt dat het college aan appellant bijzondere bijstand toekent tot een bedrag van in totaal € 1.100,- over de periode van 13 maart 2021 tot 1 september 2021 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 28 juli 2021;
  • veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 5.068,-;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een aanvullende vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal als voorzitter en E.J.M. Heijs en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.

(getekend) E.C.E. Marechal

(getekend) L. van Beelen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke (wettelijke) regels

Participatiewet zoals de bepalingen luidden ten tijde van belang
Artikel 9. Verplichtingen
1. De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:
a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a;
c. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
(…)
Artikel 12. Onderhoudsplicht ouders
Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft recht op bijzondere bijstand voorzover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:
a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of
b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.
Artikel 20. Jongerennormen
1. Voor belanghebbenden jonger dan 21 jaar zonder ten laste komende kinderen is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar: € 265,49;
(…)
Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden houdende regels omtrent de bijzondere bijstand (Beleidsregels bijzondere bijstand 2021)
Artikel 4 Toeslag Pro voor zelfstandig wonende jongeren jonger dan 21 jaar
Aan de zelfstandig wonende alleenstaande, jonger dan 21 jaar, of aan de zelfstandig wonende alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar met zijn ten laste komende kinderen, of aan het gezin, waarvan beide partners jonger zijn dan 21 jaar of waarvan één van de partners jonger is dan 21 jaar, wordt op grond van artikel 12 van Pro de wet een toeslag verstrekt voor de noodzakelijke extra kosten van het zelfstandig wonen tot het niveau van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor een 21-jarige.
De noodzaak van het zelfstandig wonen en het niet te gelde maken van het onderhoudsrecht, zoals bedoeld in artikel 12 van Pro de wet, wordt aangenomen indien:
(…)
3. De bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid wordt waar mogelijk, op grond van paragraaf 6.5 van de wet verhaald.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635.
3.Zie de uitspraken van 27 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8840, en van 24 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX2510.