In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin het beroep tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag ongegrond werd verklaard. Het betrof een geschil over de toekenning en intrekking van jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding.
De rechtbank had geoordeeld dat de brief van 24 juni 2021 geen rechtsgevolg had en het beroep niet-ontvankelijk was. Tevens wees de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat in een eerdere procedure reeds een schadevergoeding was toegekend voor een samenhangend feitencomplex.
De Raad overwoog dat appellant met het hoger beroep uitsluitend beoogde een proceskostenvergoeding te verkrijgen, waarvoor geen procesbelang bestaat. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het de proceskostenvergoeding betreft. De Raad bevestigde de rechtbankuitspraak over de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en wees het verzoek om vergoeding van proceskosten en griffierecht af.