Appellante diende op 22 februari 2021 een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor verhuiskosten bij het college van burgemeester en wethouders van Leiden. De verhuizing vond plaats op 13 maart 2021 van een woning in Alphen aan den Rijn naar Leiden. Het college wees de aanvraag af omdat de verhuizing niet noodzakelijk was en de kosten niet voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet hoefde aan te tonen dat de verhuizing noodzakelijk was, omdat verhuizen een vrije keuze is en de kosten daarom verondersteld noodzakelijk zouden zijn. De Raad verwierp dit standpunt en benadrukte dat bij bijzondere bijstand de noodzaak van de kosten individueel moet worden beoordeeld. Het enkele feit dat mensen vaker verhuizen maakt een verhuizing niet automatisch noodzakelijk in de zin van onvermijdbaarheid.
Appellante heeft het standpunt van het college dat zij de noodzakelijkheid niet aannemelijk heeft gemaakt niet inhoudelijk weersproken. Daarom is de afwijzing van de aanvraag terecht. Wel kent de Raad appellante een schadevergoeding van € 1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat de procedure langer dan vier jaar heeft geduurd. Daarnaast wordt de Staat veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 467 voor het verzoek om schadevergoeding.