ECLI:NL:CRVB:2026:274

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
25/1078 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten en ongewijzigd arbeidsvermogen

Appellante heeft meerdere aanvragen ingediend voor een Wajong-uitkering, waarbij het UWV telkens heeft vastgesteld dat zij arbeidsvermogen had op haar achttiende verjaardag en geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die herziening van eerdere besluiten rechtvaardigden.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en geoordeeld dat de medische problematiek die appellante na de referteperiode heeft ontwikkeld, waaronder Ehler Danlos Syndroom (EDS), niet leidt tot een gewijzigde beoordeling van haar arbeidsvermogen in de referteperiode van haar achttiende tot haar 23e verjaardag.

Appellante voerde aan dat zij al vanaf jonge leeftijd lichamelijke beperkingen had door EDS, ondanks dat de diagnose pas later werd gesteld, en dat haar medische situatie verslechterd is. De Raad volgt echter het oordeel van de verzekeringsarts dat uit de medische stukken niet blijkt dat er tijdens de referteperiode sprake was van zodanige beperkingen die herziening rechtvaardigen.

De Raad concludeert dat het UWV terecht is gebleven bij de eerdere besluiten en dat het verzoek om terug te komen van deze besluiten niet slaagt. Ook het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De afwijzing van de Wajong-uitkering blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De afwijzing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die herziening rechtvaardigen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1078 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 mei 2025, 24/3445 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 11 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Appellante vindt dat zij nieuwe feiten heeft aangevoerd die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn terug te komen van de besluiten van 31 juli 2015, 8 juli 2020 en 26 april 2022. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht is gebleven bij de weigering een Wajong-uitkering aan appellante toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Akkaya, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente gedaan. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 januari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Akkaya en [naam] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1997, heeft met een door het Uwv op 3 juni 2015 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante klachten en beperkingen heeft als gevolg van een pervasieve ontwikkelingsstoornis en een verstandelijke beperking. Bij de aanvraag is (medische) informatie uit de jaren 1997/1998, 2006, 2007, 2009 en 2012 tot en met 2015 gevoegd. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 31 juli 2015 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
1.2.
Op 18 februari 2020 heeft appellante opnieuw een aanvraag voor een Wajonguitkering ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante klachten en beperkingen heeft als gevolg van een autismespectrumstoornis (ASS) en een verstandelijke beperking. Bij de aanvraag is (medische) informatie uit de jaren 2007, 2010 tot en met 2012, 2014 en 2020 gevoegd. Het Uwv heeft deze aanvraag onder meer opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 31 juli 2015. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv dit verzoek bij besluit van 8 juli 2020 afgewezen. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
1.3.
Op 11 februari 2022 heeft appellante opnieuw een aanvraag voor een Wajonguitkering ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante klachten en beperkingen heeft als gevolg van een ASS en een verstandelijke beperking. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van de besluiten van 31 juli 2015 en 8 juli 2020. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv dit verzoek bij besluit van 26 april 2022 afgewezen. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit en heeft dat bezwaar vervolgens ingetrokken.
1.4.
Op 9 augustus 2023 heeft appellante opnieuw een aanvraag voor een Wajonguitkering ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante klachten en beperkingen heeft als gevolg van Ehler Danlos Syndroom (EDS), een ASS en een verstandelijke beperking. Bij de aanvraag is gevoegd een brief van 16 augustus 2022 van een klinisch geneticus, een brief van 1 november 2022 en 5 juli 2023 van de (physician assistant van de) revalidatiearts, een overzicht met medische gegevens van 10 juli 2023 van het Catharina Ziekenhuis in Eindhoven en een indicatiebesluit van 29 juni 2015 voor de Wet langdurige zorg. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van de besluiten van 31 juli 2015, 8 juli 2020 en 26 april 2022. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv dit verzoek bij besluit van 9 oktober 2023 afgewezen.
1.5.
Bij besluit van 30 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de aanvraag voor een Wajong-uitkering van appellante door het Uwv is beoordeeld als een verzoek om herziening van een in rechte vaststaand besluit, zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een beroep op toegenomen arbeidsongeschiktheid en een verzoek om herziening van een in rechte vaststaand besluit voor de toekomst (duuraanspraak).
2.2.
Wat betreft het verzoek om herziening heeft appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden teruggekomen van de eerdere besluiten op haar Wajong-aanvragen. Bij het vaststellen van arbeidsvermogen gaat het niet zozeer om de diagnose, maar om de beperkingen die daaruit voortvloeien. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in haar toelichting dat de bij appellante gestelde diagnose EDS geen reden is om aan te nemen dat fysieke beperkingen als gevolg van EDS tijdens de referteperiode ( [geboortedatum] 2015 tot en met [geboortedatum] 2020) aan de orde waren. Uit de brief van 7 (lees: 1) november 2022 over de revalidatie van appellante blijkt dat haar pijnklachten zijn toegenomen na een scooterongeval in september 2021. In de brief is benoemd dat appellante vóór het ongeval met pijnklachten goed heeft kunnen functioneren. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep komt deze informatie overeen met de gegevens uit de anamnese bij het huidige onderzoek, waarbij appellante ook meldde dat haar pijnklachten zijn toegenomen ná het scooterongeval en dat daarna sprake was van achteruitgang in haar functioneren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de door appellante ingebrachte stukken gaan over haar gezondheidssituatie ná de referteperiode. De daarin beschreven medische problematiek is opgetreden na afloop van de referteperiode. Omdat deze medische problematiek en de daaruit voortkomende beperkingen niet aan de orde waren ten tijde van de referteperiode voor de Wajong, kan op basis hiervan niet worden geconcludeerd dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven om de eerdere beslissingen over Wajongaanvragen te herzien.
2.3.
Wat betreft het beroep op toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft de rechtbank verwezen naar de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de bij appellante gestelde diagnose EDS geen aanleiding vormt om aan te nemen dat fysieke beperkingen als gevolg van EDS tijdens de referteperiode aan de orde waren. Gelet daarop heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv gevolgd dat de door appellante overgelegde medische informatie over de bij haar gestelde diagnose EDS en haar huidige klachten niet kan leiden tot een gewijzigde conclusie over haar medische situatie in de periode 2015-2020.
2.4.
Wat betreft de duuraanspraak heeft appellante haar verzoek onderbouwd met stukken. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep komt echter uit de overgelegde informatie naar voren dat tijdens de referteperiode al sprake was van een structureel andere medische situatie met hierdoor ook andere of forsere beperkingen in het functioneren van appellante. De rechtbank heeft dit eveneens gevolgd. Wat appellante verder heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
2.5.
De rechtbank heeft in wat appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft tegen die uitspraak het volgende aangevoerd.
3.1.
Appellante heeft de ziekte EDS, een erfelijke aandoening van het bindweefsel. Het is een chronische aandoening met een progressief beloop. Appellante heeft hier heel haar leven mee te maken gehad. Dat de diagnose pas in 2021 is gesteld, betekent niet dat zij daar vóór die tijd geen last van had. Dat de revalidatiearts heeft vermeld dat appellante voor een scooterongeval in september 2021 met de pijnklachten goed heeft kunnen functioneren, betekent niet dat zij daarmee ook arbeidsvermogen had dan wel dat zij dus arbeidsgeschikt was. Uit de informatie van de revalidatiearts kan niets worden opgemaakt over het al dan niet kunnen werken of het hebben van arbeidsvermogen. Het goed kunnen functioneren is dus door het Uwv ten onrechte gekoppeld aan arbeidsvermogen, terwijl het om twee verschillende onderwerpen gaat.
3.2.
Het feit dat appellante met EDS te maken heeft, is een onderbouwing voor het feit dat zij met de tijd steeds meer lichamelijke klachten krijgt en dat haar medische gesteldheid dus verslechtert. Appellante had ook in de referteperiode, van haar achttiende tot 23e jaar, met lichamelijke klachten te maken. Kennelijk door de EDS die later gediagnosticeerd is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar passages in een journaal van het schooljaar 2013-2014 van het [naam college] , een observatierapport van 9 januari 2007 van GGZ Oost-Brabant en een rapport van 22 juli 2015 van de arbeidsdeskundige van het Uwv. Uit deze informatie kan worden opgemaakt dat appellante vanaf haar geboorte al lichamelijke beperkingen had door de later gediagnosticeerde EDS. Dat bij de eerste Wajong-aanvraag de focus met name lag op de mentale gesteldheid van appellante, betekent niet dat die werkwijze juist is geweest.
3.3.
Appellante is verder van mening dat ten onrechte geen herziening voor de toekomst (duuraanspraak) is toegepast. Uit het dossier blijkt immers dat appellante van kinds af aan met zowel psychische als lichamelijke klachten te maken heeft en die klachten inmiddels verergerd zijn.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Bij het besluit van 31 juli 2015 heeft het Uwv afwijzend beslist op de aanvraag van appellante voor een Wajong-uitkering omdat appellante arbeidsvermogen had op het moment van haar achttiende verjaardag ( [geboortedatum] 2015). Bij het besluit van 8 juli 2020 is de tweede Wajong-aanvraag van appellante afgewezen omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe leiden dat het besluit van 31 juli 2015 herzien moet worden. Ook is er geen sprake van een gewijzigde medische toestand nadien die grond zou kunnen zijn voor een herbeoordeling. Uit het daaraan ten grondslag liggende rapport van verzekeringsarts blijkt dat een periode tot [geboortedatum] 2020, appellantes 23e verjaardag, is beoordeeld. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat geen knikmoment is te duiden binnen vijf jaar na appellantes achttiende verjaardag.
5.2.
Zoals met partijen op de zitting is besproken, strekt het verzoek van appellante van 9 augustus 2023 ertoe dat het Uwv voor zowel het verleden als de toekomst terugkomt van de besluiten van 31 juli 2015, 8 juli 2020 en 26 april 2022 (oorspronkelijke besluiten), welke besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden.
Verzoek om terug te komen van de besluiten uit 2015, 2020 en 2022
5.3.
Op het verzoek van appellante van 9 augustus 2023 heeft het Uwv beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [1]
5.4.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Niet in geschil is dat appellante een aangeboren, erfelijke aandoening heeft. Appellante heeft voor wat betreft de EDS verwezen naar stukken bij de eerste Wajong-aanvraag. Uit de door appellante aangehaalde passages uit die stukken blijkt dat appellante zich als kind motorisch later ontwikkelde dan gemiddeld, zij kinderfysiotherapie kreeg en zij op de praktijkschool haar stages soms als fysiek te zwaar ervoer. Voor zover dit te relateren is aan de later gestelde diagnose EDS, blijkt uit die informatie niet duidelijk wanneer de eerste symptomen van de erfelijke aandoening EDS zich bij appellante openbaarden en daardoor voor het eerst beperkingen werden ondervonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar gemotiveerd dat uit de overgelegde informatie niet blijkt wat appellantes beperkingen waren van haar achttiende tot 23e verjaardag. Pas na [geboortedatum] 2020 zijn veranderingen opgetreden in appellantes medische situatie en haar belastbaarheid. Gelet hierop heeft het Uwv terecht geweigerd om terug te komen van de eerdere besluiten. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de weigering om terug te komen van de eerdere besluiten evident onredelijk is.
Terugkomen voor de toekomst (duuraanspraak)
5.5.
Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de besluiten van 31 juli 2025, 8 juli 2020 en 26 april 2022 onjuist waren. Uit de overgelegde informatie blijkt niet dat achteraf sprake is geweest van een onjuiste medische beoordeling van de situatie van appellante van haar achttiende tot 23e verjaardag.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Dit betekent ook dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente, die daarom zal worden afgewezen.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) D. Semiz

Voetnoten

1.CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.