Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:268

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
24/1094 TOZO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toekenning TOZO-uitkering wegens hoofdverblijf in buitenland

Appellante had een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO) voor de periode 1 juli 2021 tot en met 30 september 2021. Het college van burgemeester en wethouders van Vught wees de aanvraag aanvankelijk af, maar na eerdere uitspraken werd de bijstand alsnog toegekend, zij het slechts voor de periode tot 1 augustus 2021. Het college baseerde dit op de aangifte inkomstenbelasting 2021 waarin appellante aangaf vanaf 2 augustus 2021 in Marokko te wonen.

Appellante voerde aan dat zij haar hoofdverblijf gedurende de gehele periode op het opgegeven adres in Nederland had, onderbouwd met diverse documenten zoals een waterafrekening, brieven van woonstichtingen en de Basisregistratie Personen. De Raad oordeelde echter dat deze stukken onvoldoende feitelijke grondslag boden om te concluderen dat zij vanaf 2 augustus 2021 daadwerkelijk in Nederland verbleef.

De Raad benadrukte dat het hoofdverblijf wordt bepaald door het zwaartepunt van het persoonlijke leven en dat de aangifte inkomstenbelasting, die door appellante zonder voorbehoud was ondertekend, een betrouwbare indicatie is. Appellante kon niet aannemelijk maken dat haar verblijf in Marokko tijdelijk was en dat zij daarna definitief was teruggekeerd. Het college handelde daarom terecht door de bijstand slechts toe te kennen tot 1 augustus 2021.

Het beroep werd ongegrond verklaard en appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak bevestigt het belang van juiste en volledige informatieverstrekking over woonplaats bij het aanvragen van bijstand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstand wordt slechts toegekend tot 1 augustus 2021 vanwege het hoofdverblijf van appellante in Marokko vanaf die datum.

Uitspraak

24/1094 TOZO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1094 TOZO
Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Vught van 28 maart 2024 (bestreden besluit)
Partijen:
[appellante] te België (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Vught (college)
Datum uitspraak: 3 maart 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of het college op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan een eerdere uitspraak van de Raad. In die uitspraak oordeelde de Raad dat het college de aanvraag van appellante om bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat appellante niet als gevolg van de coronacrisis een inkomen onder het sociaal minimum had. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het college de aanvraag om bijstand op grond van de Tozo alsnog toegekend, maar niet voor de gehele periode waarop de aanvraag zag. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante een deel van de periode niet meer in Nederland woonde. Appellante heeft aangevoerd dat zij pas vanaf een later moment niet meer in Nederland woonde, zodat zij recht heeft op bijstand over de gehele periode waarop de aanvraag zag. De Raad geeft appellante geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.E. Jalandoni, advocaat, beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 januari 2026. Voor appellante zijn
mr. Jalandoni en mr. N. Kok, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Cavdarci.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 5 december 2023. [1] Hij volstaat hier met het volgende.
1.1.
Met een besluit van 1 oktober 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 27 januari 2022, heeft het college de aanvraag van appellante om algemene bijstand op grond van de Tozo voor de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 september 2021 (Tozo-5) afgewezen. De rechtbank Oost-Brabant heeft in de uitspraak van 5 mei 2023 het beroep tegen het besluit van 27 januari 2022 ongegrond verklaard.
1.2.
In de uitspraak van 5 december 2023 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep tegen het besluit van 27 januari 2022 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 1 oktober 2021 te nemen met inachtneming van de uitspraak. De Raad heeft met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat tegen de nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Besluitvorming ter uitvoering van de uitspraak van de Raad
2.1.
In een brief van 25 januari 2024, voor zover van belang, heeft het college appellante meegedeeld dat aan haar bijstand voor levensonderhoud op grond van Tozo-5 over de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 september 2021 wordt uitbetaald zodra het college de genoemde, door appellante in te leveren inkomstengegevens over deze periode heeft ontvangen.
2.2.
Appellante heeft de gevraagde inkomstengegevens ingeleverd. Onder die gegevens bevindt zich een ‘Aangifte inkomstenbelasting 2021 bij emigratie of immigratie’ (aangifte IB 2021) die appellante op 16 januari 2023 digitaal aan de Belastingdienst heeft verzonden. In de aangifte IB 2021 staat onder meer het volgende:
“Land waarin u op 1 januari 2021 woonde Nederland
Woonde u hier heel 2021? Nee
Einddatum waarop u in Nederland woonde 01-08
Land waarin u op 02-08-2021 woonde Marokko”
2.3.
Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft het college vervolgens op 28 maart 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit). Het bestreden besluit houdt in dat het college aan appellante bijstand voor levensonderhoud op grond van Tozo-5 toekent over de periode van 1 juli 2021 tot en met 1 augustus 2021 en dat appellante over de periode van 2 augustus 2021 tot en met 30 september 2021 (periode in geding) geen recht op bijstand op grond van Tozo-5 heeft. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat uit de door appellante overgelegde gegevens is gebleken dat zij per 2 augustus 2021 is geëmigreerd naar Marokko.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met het bestreden besluit niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of het college met het bestreden besluit op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de eerdere uitspraak van de Raad. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 2 augustus 2021 tot en met 30 september 2021 (te beoordelen periode).
4.2.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag. Dit is vaste rechtspraak. [2]
4.3.
Waar een betrokkene zijn woonadres heeft, is waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.
4.4.
Appellante heeft in 2023 de aangifte IB 2021 ingediend bij de Belastingdienst. Daarin heeft zij zelf vermeld dat zij met ingang van 2 augustus 2021 in Marokko woont.
4.5.
Appellante voert aan dat zij in de te beoordelen periode wel haar hoofdverblijf op het opgegeven adres heeft gehad. Zij stelt dat zij zich pas per 1 oktober 2021 in de Basisregistratie personen (Brp) heeft laten uitschrijven bij de gemeente Vught en dat zij tot de datum van die uitschrijving niet haar woonplaats heeft veranderd, waardoor het recht op bijstand tot en met 30 september 2021 is blijven bestaan. Ter onderbouwing van die stelling heeft appellante de volgende stukken overgelegd:
- een eindafrekening van het waterbedrijf Brabant Water N.V. van het waterverbruik op het opgegeven adres over de periode van 1 november 2020 tot 1 november 2021;
- een brief van 7 september 2021 van woonstichting X aan appellante over een huurachterstand op het opgegeven adres over de maanden juli 2021 tot en met september 2021 tot een bedrag van in totaal € 1.708,05;
- een brief van de Sociale verzekeringsbank van 24 december 2021, waarin staat dat appellante vanaf het eerste kwartaal van 2022 geen kinderbijslag meer ontvangt voor haar twee kinderen;
- twee brieven van woonstichting Y aan appellante van 6 en 14 september 2021 waarin appellante is meegedeeld dat haar verzoek om van woning te ruilen met de familie X is goedgekeurd, dat appellante in het kader van die woningruil een woning in [plaats] wordt aangeboden en dat appellante vóór 19 september 2021 moet reageren;
- een brief van de woonstichting Y van 6 september 2021 waarin aan appellante wordt meegedeeld dat zij de huur van de woning op het opgegeven adres heeft opgezegd, dat de einddatum van de huurovereenkomst 1 oktober 2021 is en dat een voor- en na-inspectie zullen worden uitgevoerd op onderscheidenlijk 7 september 2021 en 1 oktober 2021;
- een verslag van de woonstichting Y betreffende de voorinspectie op 7 september 2021, waarin een medewerker van de woonstichting heeft opgetekend, voor zover van belang: “Samen met u deed ik een voorinspectie voor de oplevering van uw woning”;
- een e-mailbericht van 30 september 2021 van de woonstichting Y aan appellante, waarin de woonstichting Y appellante herinnert aan de eindinspectie van de woning op 1 oktober 2021.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij met ingang van 2 augustus 2021 haar hoofdverblijf op het opgegeven adres had. Daarbij is het volgende van betekenis.
4.5.1.
Degene die aangifte doet bij de Belastingdienst moet het aangifteformulier naar waarheid invullen. Appellante heeft de aangifte IB 2021 zonder voorbehoud digitaal ondertekend. Gelet hierop valt niet in te zien waarom het college niet mocht uitgaan van de juistheid van de verklaring van appellante dat zij vanaf 2 augustus 2021 in Marokko woonde. Hier komt bij dat appellante kennelijk welbewust een specifieke aangifte IB voor emigratie of immigratie heeft ingediend en deze aangifte achteraf heeft ingevuld. Zij heeft de aangifte IB 2021 niet achteraf gecorrigeerd.
4.5.2.
Daarnaar gevraagd heeft appellante ter zitting van de Raad verklaard dat het haar tijdens het invullen van de aangifte niet helemaal duidelijk was wat zij moest invullen over het moment waarop zij naar het buitenland is verhuisd. Appellante wist niet welk land zij moest invullen en heeft toen het eerste land waar zij naartoe ging ingevuld. Dat was Marokko. Appellante is daar in augustus 2021 geweest en is toen weer naar Nederland teruggekeerd.
4.5.3.
De Raad ziet niet in waarom en in welk opzicht in 2023 bij appellante nog onduidelijkheid kon bestaan over de aard en de duur van haar verblijf in Marokko in augustus 2021. Appellante heeft met haar stellingen en ingediende stukken niet aannemelijk gemaakt dat zij in augustus 2021 slechts tijdelijk in Marokko heeft verbleven en daarna definitief is teruggekeerd naar Nederland en dat zij gedurende de gehele te beoordelen periode haar hoofdverblijf op het opgegeven adres heeft gehad. Dit wordt hierna toegelicht.
4.5.4.
Het enkele feit dat appellante in de Brp op het opgegeven adres in Vught stond ingeschreven en daar een woning huurde, biedt geen toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat zij vanaf 2 augustus 2021 weer was teruggekeerd naar Nederland en op dat adres feitelijk haar hoofdverblijf had. Aan de inschrijving in de Brp komt bij de beantwoording van de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft namelijk geen doorslaggevende betekenis toe. [3] Bovendien heeft het college er ter zitting op gewezen dat appellante pas per 1 november 2021 in de Brp is uitgeschreven uit de gemeente Vught, terwijl vaststaat dat zij al vanaf 1 oktober 2021 niet meer in die gemeente woonde.
4.5.5.
Ook de overige door appellante overgelegde stukken bieden geen toereikende feitelijke grondslag voor die conclusie. Zo geeft de eindafrekening van het waterbedrijf geen inzicht in de feitelijke bewoning van de woning op het opgegeven adres en ook niet in het waterverbruik in de te beoordelen periode. De brieven van de Svb en van de woonstichtingen en het feit dat de brieven zijn gericht aan appellante op het uitkeringsadres geven ook geen inzicht in de feitelijke bewoning van de woning op het opgegeven adres. Zo al moet worden aangenomen dat appellante fysiek aanwezig was bij de woninginspectie op 7 september 2021 – het college heeft dit ter zitting gemotiveerd betwist –, maakt dat op zichzelf niet aannemelijk dat appellante (definitief) was teruggekeerd naar Nederland en feitelijk in die woning verbleef.
4.6.
Gelet op 4.5 tot en met 4.5.5 heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij, anders dan zij zelf heeft verklaard in de aangifte IB 2021, in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf op het door haar opgegeven adres in de gemeente Vught had. Het college heeft de aanvraag van appellante om bijstand op grond van Tozo-5, voor zover die ziet op de te beoordelen periode, daarom terecht afgewezen.
4.7.
Ter zitting bij de Raad heeft appellante het volgende aangevoerd. Het college heeft met het besluit van 25 januari 2024 bijstand voor levensonderhoud op grond van Tozo-5 toegekend over de gehele periode van 1 juli 2021 tot en met 30 september 2021. Het college heeft daarbij enkel een voorbehoud gemaakt voor de nog door appellante in te dienen inkomensgegevens. Door in het besluit van 28 maart 2024 de toekenningsperiode te herzien op de grond dat met ingang van 2 augustus 2021 een wijziging heeft plaatsgevonden in de woonsituatie van appellante, handelt het college in strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.7.1.
Gelet op het voorbehoud dat het college had gemaakt in het besluit van 25 januari 2024, moest het appellante duidelijk zijn dat er nog iets zou kunnen wijzigen aan dat besluit als de inkomstengegevens die zij moest verstrekken daartoe aanleiding zouden geven. Gelet op wat hiervoor onder 4.4 tot en met 4.6 is overwogen, was er in dit geval aanleiding om de bijstand op grond van Tozo-5 over een kortere periode toe te kennen dan aanvankelijk in het besluit van 25 januari 2024 was gebeurd.

Conclusie en gevolgen

4.8.
Het beroep slaagt niet. Dit betekent dat de toekenning van de bijstand op grond van Tozo5 over de periode van 1 juli 2021 tot en met 1 augustus 2021 in stand blijft.
5. Omdat het beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) F.M. Gerritsen

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1199.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432.