ECLI:NL:CRVB:2026:265

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
24/1710 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende medewerking en onduidelijke financiële situatie

Appellant diende op 8 april 2023 een aanvraag om bijstand in bij Vidar, waarbij het college de aanvraag afwees wegens onvoldoende verstrekte inlichtingen en medewerking. Appellant kon niet duidelijk maken hoe hij vanaf 2004, en in het bijzonder het jaar voorafgaand aan de aanvraag, in zijn levensonderhoud voorzag, noch hoe woonlasten en een reis naar Marokko werden gefinancierd.

Het college vroeg herhaaldelijk om bewijsstukken, waaronder bankafschriften en verklaringen, maar appellant leverde onvoldoende concrete gegevens aan. Een sociaal rechercheur voerde aanvullend onderzoek uit, en een GGD-arts concludeerde dat appellant medisch in staat was tot een gesprek, wat hij echter niet wilde voeren.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het college terecht de aanvraag afwees vanwege schending van de inlichtingen- en medewerkingsverplichtingen en dat het onderzoek proportioneel en zorgvuldig was. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende medewerking en onduidelijke financiële situatie.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1710 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 juni 2024, 24/214 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (college)
Datum uitspraak: 3 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de afwijzing van een aanvraag om bijstand. Het college heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt en onvoldoende medewerking heeft verleend en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Volgens het college heeft appellant onvoldoende duidelijkheid gegeven over zijn financiële situatie. Appellant bestrijdt in hoger beroep dit standpunt van het college. Hij krijgt daarin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.1.
Appellant heeft op 8 april 2023 bij Vidar – een regionale uitvoeringsorganisatie waarin onder meer de sociale diensten van de gemeenten Sittard-Geleen, Stein en Beek samenwerken – een aanvraag om bijstand ingediend.
1.1.2.
Met een e-mailbericht van 11 april 2023 heeft een medewerker van het team uitkeringen van Vidar appellant meegedeeld om de gegevens, die zijn genoemd in de bewijsstukkenlijst bij het aanvraagformulier, vóór 17 april 2023 in te leveren.
1.1.3.
Appellant heeft op 11 april 2023 een huurovereenkomst voor de woning op het uitkeringsadres ingeleverd. In de huurovereenkomst staat dat de overeenkomst is aangegaan voor een periode van 1 september 2022 tot en met 31 augustus 2024, dat de huurder per maand een bedrag van in totaal € 847,50 aan huur verschuldigd is en dat de huurder uiterlijk zeven dagen vóór de sleuteloverdracht een waarborgsom van € 845,- betaalt.
1.1.4.
Met een brief van 18 april 2023 heeft het college meegedeeld dat appellant uiterlijk op 28 april 2023 gegevens moet inleveren, waaronder bankafschriften over de periode van 8 oktober 2022 tot en met 8 april 2023 en een schriftelijke verklaring, inclusief te controleren bewijsstukken, waaruit blijkt hoe appellant in de periode van 1 april 2022 tot heden heeft voorzien in zijn levensonderhoud.
1.1.5.
Appellant heeft op 23 april 2023 een overzicht van het saldo op zijn ING-bankrekening overgelegd. Op dat overzicht staat dat het saldo nihil is en dat er geen af- en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden.
1.1.6.
Op 25 april 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de casemanager en een medewerker van het Team Ontwikkeling van Vidar en appellant. Tijdens dat gesprek is meegedeeld dat appellant uiterlijk op 28 april 2023 de nog ontbrekende stukken moet inleveren.
1.1.7.
Op 27 april 2023 heeft appellant rekeningafschriften van een derde (X) van 31 oktober 2022, 2 december 2022, 2 januari 2023, 1 februari 2023 en 28 februari 2023 overgelegd. Op die rekeningafschriften is zichtbaar dat X op die data, onder vermelding van de achternaam van appellant, steeds een bedrag van € 847,50 heeft overgemaakt naar bankrekening van de verhuurder van de woning op het uitkeringsadres. Appellant heeft daarnaast twee ongedateerde verklaringen van X overgelegd. X heeft verklaard dat zij appellant vanaf oktober de huur heeft voorgeschoten en dat zij ervoor heeft gezorgd dat appellant elke maand boodschappen (eten/drinken) had.
1.1.8.
Met een brief van 2 mei 2023 heeft het college meegedeeld dat appellant uiterlijk op 12 mei 2023 gegevens moet inleveren, waaronder de afschriften van al de bank- en spaarrekeningen van appellant over de periode van 8 oktober 2022 tot en met 8 april 2023. In die brief staat dat bewijsstukken ontbreken van betalingen van de woonlasten van appellant over de periode van 1 april 2022 tot 31 oktober 2022, november 2022 en april 2023. In de brief staat ook dat appellant met bewijsstukken dient aan te tonen dat X voor het eten en drinken van appellant heeft betaald en hoe appellant verzorgingsartikelen, kosten van telefoon en andere vaste lasten, bijvoorbeeld verzekeringen, heeft betaald.
1.1.9.
Appellant heeft op 10 mei 2023 afschriften van de bankrekening van X en een verklaring van X overgelegd. In die verklaring staat dat zij appellant tot en met heden heeft onderhouden en dat dit ook is te zien aan de betalingen van haar bankrekening bij Albert Heijn (voedingsmiddelen), Action (verzorgingsartikelen) en Lebara (beltegoed).
1.2.
Met een besluit van 22 mei 2023 heeft het college de aanvraag om bijstand buiten behandeling gesteld, omdat appellant niet een kopie van de afschriften van al zijn bank- en spaarrekeningen over de periode van 8 oktober 2022 tot en met 8 april 2023 heeft overgelegd.
1.3.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 mei 2023. Appellant heeft met een brief van 3 juli 2023 meegedeeld dat hij een posttraumatische stressstoornis en ernstige problemen aan zijn ogen en hoofd heeft, dat X hem ongeveer een week geleden met de auto naar Marokko heeft gebracht voor een medische behandeling en dat hij bij familie in Tanger verblijft.
1.3.1.
Met een brief van 13 juli 2023 heeft het college appellant meegedeeld dat de aanvraag opnieuw in behandeling wordt genomen, dat het college de in de brief genoemde gegevens van appellant nodig heeft en dat appellant voor het inleveren van die gegevens een termijn tot en met 28 juli 2023 krijgt. Het gaat onder meer om de volgende gegevens:
- een schriftelijke verklaring over hoe appellant de afgelopen jaren aan inkomen kwam, aangetoond met controleerbare gegevens;
- gegevens waaruit blijkt hoe de huur is betaald in de periode van 1 april 2022 tot 31 oktober 2022, in november 2022 en in april 2023;
- gegevens waaruit blijkt hoe appellant betaald heeft voor voedingsmiddelen en verzorging in de periode van 1 april 2022 tot in ieder geval april 2023;
- gegevens over de reis, kosten en het verblijf van appellant in Marokko;
- afschriften van alle bank- en spaarrekeningen over de periode van 25 mei 2023 tot en met 13 juli 2023.
1.3.2.
Met een brief van 27 juli 2023 heeft appellant een verklaring ingeleverd. Daarin staat dat X vaak voor appellant kookte, dat zij appellant dat eten dan bracht en dat appellant ook wel eens bij vrienden ging eten.
1.3.3.
Met een e-mail van 24 augustus 2023 heeft een medewerker van de gemeente Sittard-Geleen de gemachtigde van appellant meegedeeld dat zij appellant graag wil uitnodigen voor een gesprek. De medewerker heeft daarnaast meegedeeld dat zij graag wil weten wanneer appellant weer terug is in Nederland en dat zij graag een afspraak voor hem met de GGD wil inplannen om zijn medische situatie te kunnen laten beoordelen.
1.3.4.
Op 11 september 2023 heeft een arts van de GGD (arts) een spreekuur met appellant gehouden. Op 16 oktober 2023 heeft de arts een advies uitgebracht met als conclusie dat er geen medische reden kan worden vastgesteld waarom appellant geen gesprek zou kunnen voeren.
1.3.5.
Een sociaal rechercheur, werkzaam bij Vidar, heeft aanvullend onderzoek verricht naar het recht op bijstand van appellant. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossier- en internetonderzoek verricht en in de periode van 16 augustus 2023 tot en met 27 oktober 2023 waarnemingen bij met name het uitkeringsadres verricht. De resultaten van dat onderzoek staan in een rapport van 8 november 2023.
1.3.6.
Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het college met een besluit van 8 december 2023 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant gegrond verklaard en het besluit van 22 mei 2023 herroepen. Het college heeft daarbij de aanvraag van appellant afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt en onvoldoende medewerking heeft verleend en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Omdat vanaf 2004 geen geregistreerde inkomensgegevens van appellant bekend zijn en hij pas vanaf 29 maart 2023 beschikt over een bankrekening heeft het college aanleiding gezien om over een langere periode dan de gebruikelijke drie maanden inzicht te vragen in zijn financiële situatie. Appellant heeft ondanks herhaalde verzoeken van het college geen inzicht geboden in hoe hij in de periode vanaf 1 april 2022 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Verder is onduidelijk hoe appellant in de periode van 1 april 2022 tot 1 november 2022 en vanaf april 2023 zijn woonlasten heeft betaald. Het is niet aannemelijk dat appellant bij X leningen is aangegaan om in zijn levensonderhoud en woonlasten te voorzien. Verder is onduidelijk hoe appellant zijn reis naar, zijn verblijf in en zijn terugreis vanuit Marokko heeft gefinancierd. Appellant heeft niet voldaan aan het verzoek om daar gegevens over te verstrekken.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 8 april 2023, de datum waarop appellant bijstand heeft aangevraagd, tot en met 8 december 2023, de datum van de inhoudelijke beoordeling bij het bestreden besluit (te beoordelen periode).
4.2.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.
4.3.
Op iemand die bijstand aanvraagt zijn vanaf het moment dat hij zich heeft gemeld voor de aanvraag de inlichtingenverplichting en de medewerkingsverplichting van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Participatiewet van toepassing. Als het college aannemelijk maakt dat een aanvrager de inlichtingen- of medewerkingsverplichting heeft geschonden, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag als daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Zorgvuldigheid en proportionaliteit onderzoek
4.4.
Appellant heeft om de volgende redenen aangevoerd dat het onderzoek naar zijn recht op bijstand onzorgvuldig en buitenproportioneel is geweest. Volgens appellant is het onderzoek er vanaf het begin op gericht geweest om hem bijstand te weigeren. Er zijn hem honderden niet relevante vragen gesteld. De waarnemingen en het huisbezoek zijn onrechtmatig. Verder mochten de sociaal rechercheurs op 27 oktober 2023 geen gesprek met hem voeren, omdat hij daartoe niet in staat was. Deze beroepsgronden slagen niet. Daarvoor is het volgende belangrijk.
4.4.1.
Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is zijn of haar financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. De bijstandverlenende instantie is in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie, ook over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. Daarbij wordt in beginsel uitgegaan van een periode van drie maanden. Maar er kunnen omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat gegevens over een verder in het verleden liggende periode worden opgevraagd. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken overwogen. [1]
4.4.2.
Zulke omstandigheden doen zich hier voor. Daarvoor is van belang dat sinds 2004 inkomensgegevens van appellant ontbreken en dat appellant pas vanaf 29 maart 2023 een bankrekening had. Daarnaast is van betekenis dat appellant in de periode van 2013 tot 23 maart 2023 stond ingeschreven op tien verschillende adressen, terwijl appellant geen huurschulden heeft. Het gevolg daarvan was dat er een onduidelijke financiële situatie bestond over vele jaren voorafgaand aan de aanvraag om bijstand. De door het college gestelde vragen waren gericht op het verkrijgen van duidelijkheid over de manier waarop appellant in het verleden in zijn levensonderhoud heeft voorzien en over zijn middelen, woonlasten en woonsituatie. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat, naar hij stelt, het onderzoek er vanaf het begin op was gericht om hem bijstand te weigeren en dat hem honderden niet relevante vragen zijn gesteld. Het dossier bevat daarvoor ook geen aanknopingspunten.
4.4.3.
De enkele stelling van appellant dat de waarnemingen onrechtmatig zijn is, zonder enige onderbouwing, onvoldoende om te oordelen dat die waarnemingen buiten beschouwing moeten worden gelaten.
4.4.4.
Verder heeft appellant net als in beroep aangevoerd dat sprake was van een onrechtmatig huisbezoek dat met nogal wat dreiging gepaard ging.
4.4.5.
Deze beroepsgrond mist feitelijke grondslag en slaagt alleen al daarom niet. Zoals de rechtbank al heeft overwogen, heeft in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand namelijk geen huisbezoek plaatsgevonden.
4.4.6.
Appellant heeft verder aangevoerd dat hij op 27 oktober 2023 niet mocht worden gehoord door de sociale recherche, omdat hij medisch niet tot het voeren van een dergelijk gesprek in staat was. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft juist mede om deze reden de GGD om advies gevraagd. De arts heeft vastgesteld dat appellant op basis van de verzamelde informatie medisch in staat wordt geacht om een gesprek te voeren. Er bestaat geen reden om de arts niet te volgen in zijn advies.
Financiële situatie
4.5.
Appellant heeft verder aangevoerd dat hij, anders dan het college aanneemt, wel heeft voldaan aan zijn inlichtingen- en medewerkingsverplichting en dat duidelijk is hoe hij vanaf 1 april 2022 in de kosten van zijn levensonderhoud heeft voorzien, hoe zijn woonlasten worden betaald, waarbij de betalingen door X leningen zijn, en hoe hij zijn reis naar Marokko, zijn verblijf daar en de terugreis heeft gefinancierd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende belangrijk.
4.5.1.
Zoals volgt uit 4.4.2 is niet bekend welke inkomstenbronnen appellant heeft gehad. Appellant heeft – ondanks dat het college hem daartoe meermalen in de gelegenheid heeft gesteld – onvoldoende inzicht gegeven in de wijze waarop hij vanaf 2004, en in ieder geval het jaar voorafgaande aan zijn aanvraag om bijstand, in de kosten van zijn levensonderhoud heeft voorzien. Appellant heeft geen duidelijkheid gegeven over de middelen waarover hij beschikte of kon beschikken om die kosten te voldoen. De in 1.1.7, 1.1.9 en 1.3.2 genoemde verklaringen volstaan daartoe niet, alleen al omdat deze onvoldoende inzicht geven met welke middelen appellant in ieder geval het jaar voorafgaande aan de aanvraag in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien. Dat appellant in zijn levensonderhoud is voorzien door derden is onvoldoende concreet gemaakt. Ook de in 1.1.9 genoemde bankafschriften met pinbetalingen zijn daarvoor ontoereikend. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het college voldoende toegelicht dat appellant met die pinbetalingen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daarvan in de maanden augustus 2022 tot en met februari 2023 heeft kunnen leven. Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft het college daarbij terecht betrokken dat de bedragen die met die pinbetalingen zijn betaald ruimschoots onder de op appellant toepasselijke Nibudnormen voor levensonderhoud liggen. In de maanden augustus 2022 tot en met februari 2023 ligt het verschil voor de kosten van voeding tussen de 80% en 100% en in de maand maart 2023 ruim boven de 50%. Zoals de Raad eerder heeft overwogen [2] , zijn de Nibudnormen geen absolute minimumbedragen voor de kosten van levensonderhoud, maar geven deze wel een algemeen geaccepteerde richtsnoer om te bepalen hoeveel een huishouden nodig heeft om in bepaalde kosten te voorzien. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van appellant dat het college de Nibudnormen heeft gebruikt om de verklaringen van appellant in diskrediet te brengen.
4.5.2.
Appellant heeft aangevoerd dat de financiering van de woonlasten duidelijk is, omdat X de huur van de woning op het uitkeringsadres heeft betaald. Die beroepsgrond slaagt niet.
4.5.3.
De in 1.1.7 genoemde huurbetalingen door X laten onverlet dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, onduidelijk is hoe en door wie de woonlasten over, voor zover hier van belang, de periode van april 2023 tot en met december 2023 zijn betaald.
4.5.4.
Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft hij ook niet duidelijk gemaakt hoe de reis naar Marokko, het verblijf daar en de terugreis zijn gefinancierd. Appellant heeft zijn stelling dat hij in Marokko bij familie en in een ziekenhuis verbleef en dat X de reis er naartoe en er vandaan heeft gefinancierd niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt.

Conclusie en gevolgen

4.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wolfrat in tegenwoordigheid van
A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.

(getekend) mr. M. Wolfrat

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 17
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
2. De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
[…]

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1528.
2.Zie de uitspraken van 27 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3749 en 12 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:892.