Appellant diende op 11 maart 2020 een aanvraag om bijstand in, waarbij hij verklaarde sinds eind 2019 geen inkomen te hebben en zwart te hebben gewerkt. Het college vroeg om inzicht in zijn financiële situatie over de afgelopen drie jaar, omdat vanaf 2003 geen geregistreerde inkomensgegevens bekend waren en appellant pas sinds eind 2019 een bankrekening had.
Appellant leverde enkele schuldbekentenissen en een overzicht van gewerkte uren in, maar weigerde belangrijke gegevens te verstrekken, zoals de naam van het café waar hij werkte. Het college wees de aanvraag af wegens het ontbreken van controleerbare bewijsstukken die zijn bijstandbehoevendheid konden aantonen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het college terecht over een langere periode dan drie maanden gegevens mocht opvragen vanwege de onduidelijke financiële situatie en dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd om zijn recht op bijstand aannemelijk te maken.
De afwijzing van de aanvraag bleef daardoor in stand en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van het griffierecht.