ECLI:NL:CRVB:2019:892
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende aannemelijkheid levensonderhoud
Appellante ontving tot januari 2016 aanvullende bijstand, die werd ingetrokken vanwege weigering mee te werken aan een huisbezoek. In februari 2016 vroeg zij opnieuw bijstand aan, maar het college wees de aanvraag af omdat zij niet voldeed aan de inlichtingenplicht en onvoldoende aannemelijk maakte dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
De rechtbank vernietigde het eerste besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand en verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het college terecht concludeerde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt hoe zij in haar levensonderhoud voorzag, mede omdat haar uitgaven aan voeding aanzienlijk lager waren dan de Nibud-norm.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij incidentele inkomsten spaarde en minder uitgaf omdat haar dochter regelmatig elders eet. De Raad oordeelde dat de Nibud-norm een algemeen geaccepteerd richtsnoer is en dat appellante haar stellingen onvoldoende had onderbouwd. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt hoe zij in haar levensonderhoud voorzag.