ECLI:NL:CRVB:2026:251

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
20/1470 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Intrekking
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na toekenning IVA-uitkering en vergoeding proceskosten en schadevergoeding redelijke termijn

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV omtrent haar WIA-uitkering. Tijdens de procedure heeft het UWV op 21 januari 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij appellante per 9 april 2018 een IVA-uitkering is toegekend. Hierdoor heeft appellante het hoger beroep ingetrokken.

De Centrale Raad van Beroep heeft vervolgens de proceskosten beoordeeld die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met het beroep en hoger beroep. Hierbij zijn onder meer de kosten van deskundigenrapporten van psychiaters en verzekeringsartsen, reiskosten en griffierechten meegenomen. Niet alle gevorderde kosten kwamen voor vergoeding in aanmerking, waarbij secretariële werkzaamheden en bepaalde administratieve posten zijn uitgesloten.

Daarnaast heeft appellante een verzoek ingediend tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De Raad heeft vastgesteld dat de totale procedureduur van ontvangst bezwaarschrift tot tegemoetkomend besluit ruim zeven jaar bedroeg, wat een overschrijding van ongeveer drie jaar betekent. De Raad heeft daarom een immateriële schadevergoeding van € 3.000,- toegekend.

De Staat is veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding en de proceskosten voor de rechtsbijstand in verband met het verzoek om schadevergoeding. Het UWV is veroordeeld tot vergoeding van de overige proceskosten en de betaalde griffierechten. De zaak is zonder zitting afgedaan nadat partijen geen zitting meer wensten.

Uitkomst: Het hoger beroep is ingetrokken na toekenning van een IVA-uitkering en de Raad veroordeelt UWV en Staat tot vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

20/1470 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
20/1470
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 maart 2020, 18/2113 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 4 maart 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Winia, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.D. van Alphen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
Het onderzoek ter zitting is geschorst. De Raad heeft psychiater dr. F.B. van der Wurff als onafhankelijke deskundige benoemd. De deskundige heeft op 9 maart 2023 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze gegeven op het rapport.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband hiermee heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft vervolgens verzekeringsarts L. Greveling-Fockens als onafhankelijke deskundige benoemd. Op 19 november 2024 heeft deze deskundige haar rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze gegeven op het rapport.
Het Uwv heeft 21 januari 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen en appellante per 9 april 2018 een IVA-uitkering toegekend.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellante heeft nadere stukken ingediend ter onderbouwing van haar verzoek.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 21 januari 2025 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen
Proceskosten
Bij de gewijzigde beslissing op bezwaar van 21 januari 2025 heeft het Uwv de kosten van bezwaar vergoed. Dit betekent dat de Raad alleen hoeft te oordelen over de kosten die appellante in verband met haar beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Rechtsbijstand
De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 2.335,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een nadere reactie met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.802,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, twee keer 0,5 punt voor een zienswijze, met een waarde per punt van € 934,-). Het totale bedrag van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten voor rechtsbijstand bedraagt € 5.137,-.
Deskundigen
Appellante heeft in beroep (expertise)rapporten ingezonden van psychiater J.L.M. Schoutrop en van verzekeringsarts E.C. van der Eijk. Het Uwv heeft in verweer aangevoerd dat niet alle gevorderde kosten voor vergoeding in aanmerking komen.
Voor de werkzaamheden van psychiater Schoutrop en klinisch psycholoog M.J. AngenentVogt voor het rapport van 13 april 2022, is verzocht om een vergoeding van € 5.493,-. Voor het rapport van 15 augustus 2022 van Schoutrop heeft appellante om een vergoeding van € 1415,70 verzocht. De Raad is van oordeel dat deze vordering slechts gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking komt. Wat betreft de nota’s van psychiater Schoutrop komen de gevorderde kosten voor secretariële werkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking. De Raad berekent de vergoeding voor de werkzaamheden van Schoutrop en Angenent-Vogt op grond van artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (tarieven 2021 en 2022) als volgt:
- de vergoeding van psychiater Schoutrop voor het rapport van 13 april 2022 wordt begroot op veertien keer € 134,04 per uur, opgeteld € 2.270,64 (inclusief 21% omzetbelasting);
- de vergoeding van klinisch psycholoog Angenent-Vogt voor het rapport van 13 april 2022 wordt begroot op € 1.500,-. Dit bedrag is lager dan de forfaitaire vergoeding;
- de vergoeding van psychiater Schoutrop voor het rapport van 15 augustus 2022 wordt begroot op vijf keer € 136,19 per uur, opgeteld € 823,95 (inclusief 21% omzetbelasting).
In totaal € 4.594,59.
Voor de werkzaamheden van verzekeringsarts Van der Eijk heeft appellante facturen ingezonden van 18 augustus 2020, 17 september 2020, 22 juli 2021, 27 juli 2021, 10 maart 2022, 22 maart 2022, 25 maart 2022, 15 april 2022, 29 juni 2022 en 30 augustus 2022. Slechts van drie facturen (10 maart 2022, 25 maart 2022 en 30 augustus 2022) zijn de werkzaamheden kenbaar in een (dossier)stuk neergelegd. De Raad overweegt ten aanzien van deze drie facturen dat de vordering gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking komt. Alleen de uren van de medisch adviseur komen voor vergoeding in aanmerking. De op de specificaties van de facturen van Triage (verzekeringsarts Van der Eijk) genoemde posten ‘inkomende post verwerken secretariaat’, ‘opstellen e-mail bericht’, ‘telefoongesprek’, ‘uitwerken medisch advies secretariaat’, ‘verzenden medische informatie zonder advies (secretariaat)’ en ‘rappel schriftelijk’ komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat artikel 1 van Pro het Bbp niet in deze kosten voorziet. De Raad berekent de vergoeding als volgt:
- het rapport van 10 maart 2022 drie keer € 136,19 wordt begroot op € 494,37;
- het rapport van 25 maart 2022 0,5 keer € 136,19 op € 82,39;
- het rapport van 30 augustus 2022 2,5 keer € 136,19 op € 411,97.
In totaal € 988,73 (inclusief 21% omzetbelasting).
Het totale bedrag van voor vergoeding in aanmerking komende deskundigenkosten bedraagt € 5.583,32.
Reiskosten
De door appellante gevraagde reiskosten voor het bijwonen van de zitting in beroep en hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 61,72 op basis van openbaar vervoer tweede klasse. Voor vergoeding van de geclaimde parkeerkosten bestaat geen aanleiding, nu het Bbp daarin niet voorziet.
De kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken voor het bezoeken van de deskundigen psychiater Van der Wurff en verzekeringsarts Greveling-Fockens worden door de Raad vergoed.
Het door het Uwv te betalen bedrag aan proceskostenvergoeding bedraagt hiermee in totaal € 10.782,04.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [1] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022 [2] en voor zover hier relevant, eindigt de redelijke termijn op het moment dat het tegemoetkomend besluit is bekend gemaakt. Dat was op 21 januari 2025.
Vanaf de ontvangst op 27 maart 2018 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van het tegemoetkomend besluit van 21 januari 2025 zijn afgerond zeven jaar verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met (afgerond) drie jaar overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 3.000,-.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar minder dan zes maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn alleen in de rechterlijke fase is overschreden. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 3.000,-.
Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Die kosten worden begroot op een bedrag van € 467,- (een punt voor het indienen van het schadeverzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5).
Griffierecht
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 3.000,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 10.782,04;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante de in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 177,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) C.E.A. Tessemaker

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
2.CRvB 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.