ECLI:NL:CRVB:2026:232

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
24/1117 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling arbeidsongeschiktheid en dagloon in WIA-uitkering na arbeidsongeval

Appellant, die zich ziekmeldde na een arbeidsongeval, betwistte de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid en het dagloon. Na zorgvuldige medische en arbeidskundige onderzoeken stelde het UWV aanvankelijk een lagere mate van arbeidsongeschiktheid vast, welke door appellant werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep leidde tot vernietiging van de eerdere besluiten.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ook zonder spreekuurcontact met een verzekeringsarts, en dat de vastgestelde beperkingen juist waren. De arbeidsdeskundige had passende functies geselecteerd die appellant kon vervullen, ondanks bezwaren van appellant over specifieke fysieke belastingen.

De Raad stelde het dagloon vast op €49,20, hoger dan het door het UWV eerder gehanteerde bedrag, en veroordeelde het UWV tot betaling van wettelijke rente en proceskosten. Hiermee werd het beroep van appellant deels gegrond verklaard en de eerdere besluiten vernietigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep stelt de arbeidsongeschiktheid vast op 47,13% en het dagloon op €49,20, vernietigt eerdere besluiten en veroordeelt het UWV tot rente- en proceskostenvergoeding.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1117 WIA, 25/1897 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 april 2024, 22/4842 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Australië (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 18 februari 2022 heeft vastgesteld op 47,13%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Bovendien kan hij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld. De Raad stelt het dagloon per 18 februari 2022 vast op € 49,20, zoals door het Uwv en appellant bepleit.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Hoefs, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 29 oktober 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft hierop gereageerd en verzocht om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente. Naar aanleiding van deze reactie heeft het Uwv een gewijzigd standpunt ingenomen wat betreft de hoogte van het vastgestelde dagloon.
Het Uwv heeft vervolgens vragen van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 januari 2026. Voor appellant is mr. Hoefs verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als orderpicker. Op 21 februari 2020 heeft hij zich ziekgemeld na een ongeval op het werk. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 februari 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 7 maart 2022 geweigerd appellant met ingang van 18 februari 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 23 augustus 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 juli 2022 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 augustus 2022 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien af te wijken van de door de arts vastgestelde beperkingen en extra beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Deze beperkingen zijn neergelegd in de FML van 7 juli 2022. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens op basis van de gewijzigde FML de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 20,28%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit 1 in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat appellant in zijn geval niet onderzocht had hoeven te worden op een spreekuur door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellant heeft de medische grondslag onvoldoende gemotiveerd betwist. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, hoewel summier, gemotiveerd waarom is afgezien van een lichamelijk onderzoek in bezwaar. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, omdat appellant niet voldoet aan de daarvoor gestelde criteria. Ook is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het gebruik van de verschillende medicijnen en de combinatie daarvan bij zijn oordeel heeft betrokken en voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat om hiervoor verdergaande beperkingen aan te nemen. Niet gebleken is dat de fysieke en psychische beperkingen van appellant zijn onderschat. Daarnaast heeft de rechtbank het standpunt van de artsen kunnen volgen dat een beperking van de duurbelastbaarheid volgens de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid niet aan de orde is. Appellant heeft zijn grond hierover niet nader onderbouwd. Omdat de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een onzorgvuldig onderzoek en er geen twijfel is gezaaid over de juistheid van de medische beoordeling is er geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen. Tot slot heeft de rechtbank geen reden gezien de geschiktheid van de geduide functies in twijfel te trekken.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Appellant stelt verder dat zijn beperkingen niet juist zijn vastgesteld en heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen. Appellant acht zich ook niet in staat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies te vervullen.
Nader besluit
4. Met een besluit van 29 oktober 2024 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv bestreden besluit 1 gewijzigd, in die zin dat het bezwaar van appellant alsnog gegrond is verklaard en het besluit van 7 maart 2022 is herroepen. Aan appellant is per 18 februari 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 47,13% en een dagloon van € 40,72 (na indexatie). Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 oktober 2024 ten grondslag. In verband met zijn medicatiegebruik wordt appellant alsnog aangewezen geacht op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. De FML is gewijzigd vastgesteld op 11 oktober 2024. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 16 oktober 2024 vastgesteld dat twee van de eerder geselecteerde functies zijn komen te vervallen. Ter vervanging van de vervallen functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nieuwe functies geselecteerd. Op basis van een nieuwe functieselectie is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 47,13%.
5. Appellant heeft zich niet met bestreden besluit 2 kunnen verenigen. Naast de al eerdergenoemde gronden heeft appellant betoogd dat het dagloon te laag is vastgesteld.
6. Het Uwv heeft in een nadere reactie erkend dat het dagloon te laag was vastgesteld en zich op het standpunt gesteld dat het dagloon per 18 februari 2022 moet worden vastgesteld op € 49,20.

Het oordeel van de Raad

7. Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv aan appellant een loongerelateerde WGAuitkering toegekend per 18 februari 2022. Met dit besluit heeft het Uwv bestreden besluit 1 gewijzigd. Nu bestreden besluit 1 in de aangevallen uitspraak in stand is gelaten, komt die uitspraak voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en bestreden besluit 1 vernietigen. Omdat bestreden besluit 2 niet volledig tegemoetkomt aan de bezwaren van appellant, wordt dit besluit met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, in de procedure betrokken en wordt het hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.
7.1.
De Raad zal daarom beoordelen of het Uwv appellant op goede gronden een loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 47,13% heeft toegekend. De Raad doet dit aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd. Tussen partijen is niet langer in geschil dat het dagloon per 18 februari 2022 moet worden vastgesteld op € 49,20. De Raad komt tot het oordeel dat de gronden die appellant verder heeft aangevoerd tegen bestreden besluit 2 niet slagen en overweegt daartoe als volgt.
7.2.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling – zorgvuldigheid medisch onderzoek
7.3.
De beroepsgrond van appellant dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest omdat hij niet is gezien door een verzekeringsarts, slaagt niet. Uit de uitspraak van de Raad van 23 juni 2021 [1] volgt dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming in bezwaar met zich brengt dat in de situatie waarin de medische grondslag van het primaire besluit gemotiveerd wordt betwist en waarin in de primaire fase geen sprake is geweest van een spreekuurcontact met een geregistreerde verzekeringsarts, als uitgangspunt geldt dat in de fase van bezwaar de betrokkene door een verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens een spreekuurcontact wordt onderzocht. Van een spreekuurcontact kan in zo’n situatie worden afgezien indien de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende kan motiveren dat in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie, een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft.
7.4.
Anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat appellant wel degelijk de medische grondslag van het primaire besluit gemotiveerd heeft betwist. De Raad is echter van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit geval toch kon afzien van een lichamelijk onderzoek tijdens een spreekuurcontact in de bezwaarfase. Naar het oordeel van de Raad is voldoende gemotiveerd dat een lichamelijk onderzoek, gelet op de informatie die reeds beschikbaar was, geen toegevoegde waarde zou hebben. De eerste verzekeringsarts bezwaar en beroep, die op 7 juli 2022 en 24 oktober 2022 heeft gerapporteerd is bij de hoorzitting aanwezig geweest en had de beschikking over het rapport van de primaire arts en informatie van de behandelend sector in de vorm van een huisartsjournaal en verslagen van een tweetal radiologen. De tweede verzekeringsarts bezwaar en beroep, die op 11 oktober 2024 heeft gerapporteerd, heeft nader toegelicht dat de bevindingen van de primaire arts aansloten bij het klachtencomplex van appellant en het klinisch beeld, zoals dat naar voren kwam uit de informatie van de behandelend sector. Hiermee is naar het oordeel van de Raad op inzichtelijke en toereikende wijze gemotiveerd dat voldoende informatie beschikbaar was om tot een afgewogen oordeel te komen. Daarbij wordt betrokken dat appellant in hoger beroep niet aannemelijk heeft gemaakt of nader heeft geconcretiseerd dat aspecten van zijn gezondheidstoestand zijn gemist. De Raad oordeelt dan ook dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv zorgvuldig is verricht.
Medische beoordeling – juistheid vastgestelde beperkingen
7.5.
Appellant heeft in hoger beroep zijn beroepsgrond dat niet met alle medische beperkingen voldoende rekening wordt gehouden, niet onderbouwd met stukken of argumenten. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de uiteindelijk vastgestelde beperkingen, zoals neergelegd in de FML van 11 oktober 2024 en de medische onderbouwing zoals neergelegd in het rapport van 11 oktober 2024. Uit de rapporten blijkt dat de verzekeringsartsen rekening hebben gehouden met de medische informatie van de behandelaars van appellant en dat met alle objectiveerbare afwijkingen en diagnosen rekening is gehouden. De (tweede) verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft benadrukt dat niet gebleken is dat er een medische indicatie is gegeven voor het lopen met een stok en/of een permanente mitella. Dit zou ook niet passen bij de gestelde diagnosen. Ook zijn er beperkingen aangenomen in verband met psychische klachten, ondanks het ontbreken van een duidelijk klachten/symptoomcomplex/diagnose van (de door appellant gestelde) PTSS, zodat niet aan de klachten van appellant voorbij is gegaan. Voor het aannemen van een urenbeperking hebben de verzekeringsartsen terecht geen aanleiding gezien. Er is geen sprake van een ziektebeeld waaruit een beduidend verminderd basaal energetisch vermogen of een energetische stoornis blijkt, die in onvoldoende mate gecompenseerd kan worden door het aangeven van fysieke en psychische beperkingen. Evenmin is er sprake van verminderde beschikbaarheid voor arbeid vanwege tijdsbeslag door therapie of van een preventieve indicatie voor het aannemen van een urenbeperking. Appellant wordt ook niet gevolgd in zijn standpunt dat sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij hulp nodig heeft van zijn vrouw bij het douchen, koken en aankleden, maar hij heeft dit standpunt niet onderbouwd met stukken. Appellant heeft in hoger beroep ook niet onderbouwd dat de artsen van het Uwv medische informatie hebben gemist.
7.6.
Omdat de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de beoordeling door het Uwv ontbreekt, bestaat geen aanleiding voor inschakeling van een onafhankelijke deskundige. Uitgegaan wordt daarom van de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen in de FML van 11 oktober 2024.
Arbeidskundige beoordeling
7.7.
Vervolgens moet worden beoordeeld of appellant in staat is de geselecteerde functies te vervullen. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft appellant in staat geacht de functies textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (SBC-code 111160), productiemedewerker metaal en elektro-industrie (SBC-code 111171), en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBCcode 111180), te vervullen. In de rapporten van 21 november 2022 en 16 oktober 2024 is dit standpunt nader toegelicht.
7.7.1.
Appellant acht de functie van textielproductenmaker (SBC-code 111160) niet geschikt omdat sprake zou zijn van een overschrijding op het aspect reiken (4.8). In de FML van 11 oktober 2024 is appellant op dit aspect beperkt geacht. Appellant wordt in staat geacht tijdens elk uur per dag ongeveer 600 keer te reiken, waarbij is vermeld dat de beperking voor rechts geldt. Uit het Resultaat functiebeoordeling blijkt dat in de functie maximaal 700 keer per uur moet worden gereikt, waarbij 600 maal ongeveer 50 centimeter en 100 keer 70 centimeter moet worden gereikt. In zijn rapport van 16 oktober 2024 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep herhaald dat binnen de combinatie van de factoren duur, frequentie en mate geldt dat een geringere belasting van één of meer van deze factoren de factor met een hogere belasting kan compenseren. Doordat er slechts 100 keer per uur sprake is van een reikafstand van 70 cm en grotendeels (600 x per uur) over een korte reikafstand van 50 cm gereikt wordt en er maximaal 700 keer per uur gereikt wordt, treedt er ondanks dat de frequentie van het reiken met 100 keer per uur overschreden wordt, een zodanige compensatie in de belasting op dat de overschrijding van de frequentie van het reiken in deze functie gecompenseerd wordt door kleinere reikafstand. Daarmee is toereikend gemotiveerd dat deze functie geschikt is voor appellant.
7.7.2.
Appellant acht zich ook niet in staat de functie van productiemedewerker metaal en elektro-industrie (SBC-code 111171) te vervullen omdat sprake is van een steile trap (aspect 4.18). Weliswaar blijft het trappenlopen hier beperkt tot en met vijftien treden maar gelet op de extra belasting van een steile trap zou dit gelijk gesteld moeten worden met een trap van zestien treden of meer en aldus moeten leiden tot verwerping van de functie. Appellant wordt hierin niet gevolgd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat appellant geacht kan worden deze functie te vervullen, omdat in de functie tijdens drie werkuren tweemaal ongeveer vijftien treden achtereen (steile trap naar werkplek op 1e etage, kantine begane grond) moet worden genomen. Zelfs indien ervan uitgegaan wordt dat de steile trap als verzwarende omstandigheid is te beschouwen, wordt de verzwarende omstandigheid gecompenseerd door de frequentie van het op óf aflopen van de trap (twee keer per uur) ten opzichte van de normwaarde (vier keer per uur) en het aantal werkuren dat dit voorkomt (drie uren op een werkdag) ten opzichte van de norm (acht uren op een werkdag). Daarnaast betreft het traplopen het bezoeken van de kantine, waarbij het traplopen in eigen tempo plaats kan vinden. De belastbaarheid van appellant wordt in de functie dan ook niet overschreden.
7.7.3.
Appellant acht zich tot slot niet in staat de functie productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) te vervullen. Er is volgens hem sprake van een overschrijding van de belastbaarheid op het aspect 5.7, Boven schouderhoogte actief zijn. Appellant wordt door de verzekeringsartsen bezwaar en beroep niet in staat geacht om met zijn rechterarm boven schouderhoogte te werken, terwijl het in deze functie nodig is om boven schouderhoogte te werken zodat daarmee de belastbaarheid van appellant wordt overschreden. Appellant heeft daarbij benadrukt dat niet is gebleken dat het boven schouderhoogte actief zijn met één arm mogelijk is. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 21 oktober 2022 te kennen gegeven dat in de functie tijdens acht uur per dag elk uur tien keer enkele seconden boven schouder moet worden gereikt. Dit gebeurt zittend aan de werktafel om iets te pakken en bij het wegzetten van bakjes componenten en printplaten. Het gaat niet om fijn gecoördineerde grepen, maar om het pakken en wegzetten. Deze handelingen kunnen daarom volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met de niet dominante arm worden uitgevoerd. Pas ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant nader toegelicht dat de functie volgens appellant niet geschikt is omdat uit de Resultaat functiebeoordeling bij de aspecten 4.7 en 4.8 blijkt dat de bakjes en printplaten die appellant moet pakken met twee handen moeten worden gepakt. Dit zou dan ook betekenen dat het boven schouder actief zijn ook met twee handen moet gebeuren, aangezien het daar ook gaat om het pakken en wegzetten van dezelfde bakjes componenten en printplaten. De Raad acht het in een zo laat stadium aanvoeren van deze grond in strijd met de goede procesorde. Daarbij is zwaarwegend dat het Uwv hier ter zitting niet meer adequaat op heeft kunnen reageren, terwijl niet is gebleken dat deze (nadere toelichting op deze) beroepsgrond niet eerder had kunnen worden aangevoerd. De Raad bespreekt deze beroepsgrond daarom niet.

Conclusie en gevolgen

7.8.
Uit 7 volgt dat de aangevallen uitspraak en bestreden besluit 1 niet in stand kunnen blijven. Uit 7.1 volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 2 slaagt. Bestreden besluit 2 zal worden vernietigd voor zover in dit besluit de hoogte van het dagloon van appellant is vastgesteld op € 40,72. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het dagloon voor de WIAuitkering per 18 februari 2022 vast te stellen op € 49,20 (na indexatie). Dit betekent dat het Uwv niet meer op het bezwaar van appellant hoeft te beslissen.
8. Het verzoek van appellant het Uwv te veroordelen tot betaling van wettelijke rente slaagt in dit opzicht. Het Uwv moet de wettelijke rente berekenen overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012. [2]
9. Aangezien het Uwv de kosten van bezwaar al heeft vergoed wordt hierover geen uitspraak gedaan. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 2.335,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de zienswijze op bestreden besluit 2, met een waarde per punt van € 934,-) en op € 1.868,- in beroep (1 punt beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-). De proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding worden vastgesteld op € 467,- (1 punt met een wegingsfactor van 0,5, met een waarde per punt van € 934,-). Daarnaast komen de door appellant gemaakte reiskosten in beroep tot een bedrag van € 5,20 voor vergoeding in aanmerking. De totale proceskosten bedragen dus € 4.675,20.
9.1.
Verder dient het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2022 gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2024 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarmee het dagloon is vastgesteld op € 40,72;
- stelt het dagloon per 18 februari 2022 vast op een bedrag van € 49,20 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 29 oktober 2024;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor aangegeven onder 8;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.675,20;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en A.I. van der Kris en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.

(getekend) T. Dompeling

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.CRvB 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491.
2.CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.