ECLI:NL:CRVB:2026:22

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/2365 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling arbeidsvermogen en verhoging Wajong-uitkering in hoger beroep

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv, waarin werd vastgesteld dat hij arbeidsvermogen heeft en dat zijn Wajong-uitkering niet verhoogd wordt wegens hulpbehoevendheid. De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak behandeld op 14 januari 2026. Appellant, geboren in 1978, ontving sinds 1996 een uitkering op basis van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, die later is omgezet naar de Wajong. In 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft, wat leidde tot een verlaging van zijn uitkering. Na een periode van werk bij een stichting, die failliet ging, heeft appellant in 2021 een herbeoordeling aangevraagd, waarbij hij om een verhoging van zijn uitkering vroeg vanwege hulpbehoevendheid. Het Uwv heeft zijn verzoek afgewezen, wat appellant niet kon aanvechten met nieuwe medische gegevens. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, en de Centrale Raad heeft deze uitspraak bevestigd. De Raad concludeert dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft en dat hij niet in aanmerking komt voor een verhoging van zijn uitkering. De Raad oordeelt dat de verzekeringsartsen de klachten van appellant adequaat hebben beoordeeld en dat er geen noodzaak is voor hulp bij dagelijkse levensverrichtingen. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, en appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 9 september 2024, 22/685 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft. Verder gaat het over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd de Wajong-uitkering van appellant wegens hulpbehoevendheid te verhogen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat, hoger beroep ingesteld en aanvullende gronden ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Voor appellant is mr. Schyns verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1978, ontving sinds 1996 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Deze uitkering is per 1 januari 1998 voortgezet als uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998). Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Met een besluit van 13 september 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft, op grond waarvan zijn Wajong-uitkering op grond van artikel 3:8 van de Wajong 2015 per 1 januari 2018 is verlaagd van 75% naar 70% van het wettelijk minimumloon. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2.
Met ingang van 1 juni 2018 is appellant in dienst getreden bij de [naam stichting] in de functie van bestuurder voor 40 uur per week met een bruto maandsalaris van € 7.947,22. In verband hiermee is de Wajong-uitkering niet uitbetaald. De [naam stichting] is op 1 juni 2020 failliet gegaan.
1.3.
Op 12 juli 2021 heeft appellant het Uwv verzocht om een herbeoordeling in verband met toegenomen klachten en daarnaast verzocht om een verhoging van de uitkering in verband met hulpbehoevendheid. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 9 september 2021 (primair besluit 1) heeft het Uwv vastgesteld dat appellant beschikt over arbeidsvermogen en dat zijn Wajonguitkering ongewijzigd blijft. Bij besluit van eveneens 9 september 2021 (primair besluit 2) heeft het Uwv het verzoek om verhoging van de Wajong-uitkering van appellant afgewezen, omdat appellant niet voor langere tijd hulp en verzorging nodig heeft.
1.4.
Bij besluit van 9 februari 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Met betrekking tot het verzoek om herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen deugdelijk hebben gemotiveerd dat appellant mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en met appellant een spreekuur gehouden. Tijdens het spreekuur heeft appellant over zijn medische situatie gesproken en de verzekeringsarts heeft tijdens het spreekuur een psychisch en lichamelijk onderzoek uitgevoerd. Ook heeft hij medische informatie opgevraagd bij de behandelaren van appellant, de huisarts en de neuroloog. De verzekeringsarts heeft overwogen dat bij actueel onderzoek de uit de voorgeschiedenis gekende problematiek onverminderd aan de orde is. Het gaat om het zenuwletsel aan de linkerarm. Als gevolg daarvan is er sprake van ernstige duurzame beperkingen in het gebruik van de linkerarm. De belastbaarheid van de linkerarm is overeenkomstig de Functionele Mogelijkhedenlijst van 3 augustus 2005. Over de rechterschouder- en arm heeft de verzekeringsarts gerapporteerd dat er een actief bewegingspatroon van de rechterschouder is en ook dat de arm normaal is. Daarnaast heeft appellant nog steeds overgewicht. Gelet op de ernst van zijn overgewicht, waarbij inmiddels kan worden gesproken van morbide obesitas, moeten beperkingen worden aangenomen. Het gaat om beperkingen met betrekking tot frequent diep buigen (meer dan 60 graden), langere afstanden lopen, traplopen en langdurig werken in een gebogen of geknielde/gehurkte houding. Inmiddels is ook het linkerbeen van appellant beperkt als gevolg van druk op de bovenbeenzenuw, waardoor hij niet langdurig aaneengesloten kan staan. Verdere beperkingen konden volgens de verzekeringsarts niet worden geobjectiveerd. Over het obstructieve slaapapneu van appellant zijn geen recente objectieve gegevens bekend en appellant heeft niet gemeld dat hij bijvoorbeeld plots ongecontroleerd in slaap valt. Wat betreft zijn verslaving heeft appellant in 2019 succesvol een detoxbehandeling doorlopen. Binnen de verslavingszorg is er geen vervolg geweest en de huisarts heeft ook geen verslavingsproblematiek meer benoemd. Er is daarom volgens de verzekeringsarts actueel geen reden om uit te gaan van beperkingen als gevolg van verslavingsproblematiek. Daarnaast speelt er inmiddels een aantal verwikkelingen in het leven van appellant waarvan hij last heeft. Dit is volgens de verzekeringsarts weliswaar invoelbaar en begrijpelijk, maar vooralsnog kan op dat gebied geen ziekte of gebrek worden geobjectiveerd. Er is veeleer sprake van een reactie op de externe omstandigheden. Daarom wordt vooralsnog uitgegaan van reactieve spanningsklachten. Volgens de verzekeringsarts bestaat er onvoldoende aanleiding om beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren aan te nemen. Rekening houdende met het medicatiegebruik van appellant en zijn mogelijk verminderde oplettendheid bij overige problematiek is er een beperking voor beroepsmatig chauffeuren. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant ten minste vier uur per dag belastbaar is. Ook kan appellant ten minste een uur aaneengesloten werken. Behoudens beperkingen met betrekking tot zijn mobiliteit is appellant in staat om volledig zelfstandig te handelen. Tot slot heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellant beschikt over basale werknemersvaardigheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de verzekeringsarts de beperkingen van appellant juist heeft vastgesteld. Toegevoegd is dat bij specialistisch onderzoek geen duidelijke verklaring voor de beenklachten is gevonden. Er zijn geen relevante afwijkingen bij lichamelijk onderzoek gevonden en er is een normaal looppatroon. Over de mentale klachten van appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat geen sprake is van ernstige psychiatrische problematiek.
2.2.
Volgens de rechtbank zijn de door appellant geuite klachten betrokken bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling en op juiste wijze vertaald naar beperkingen. Appellant is het niet eens met de vastgestelde beperkingen, maar hij heeft niet met medische informatie aannemelijk gemaakt dat het Uwv de beperkingen heeft onderschat. Ook arbeidsdeskundig is volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd dat appellant beschikt over basale werknemersvaardigheden en dat hij een taak kan verrichten.
2.3.
Met betrekking tot het beroep op de Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid (Beleidsregel) heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen deugdelijk hebben gemotiveerd dat appellant niet hulpbehoevend is zoals bedoeld in artikel 2 van de Beleidsregel. De verzekeringsarts heeft daartoe in zijn rapport van 7 september 2021 overwogen dat appellant niet lijdt aan een aandoening die continue oppassing vereist. Hij heeft geen constant toezicht nodig en er hoeft ook niet voortdurend iemand in de buurt te zijn voor handreikingen. Hij lijdt niet aan een aandoening van de mentale functies waardoor hij is aangewezen op toezicht en sturing. Ook zijn lichamelijke problematiek is volgens de verzekeringsarts niet van dien aard dat deze soms leidt tot een noodzaak tot ingrijpen door derden (zoals dat bijvoorbeeld het geval is bij aandoeningen waarbij iemand het bewustzijn verliest). Appellant kan alleen zijn en als dit nodig is hulp inschakelen. Dit blijkt volgens de verzekeringsarts uit het gegeven dat hij alleen woont en zelfstandig deelneemt aan het verkeer. De verzekeringsarts heeft ook overwogen dat geregelde verzorging niet aan de orde is. Er is geen noodzaak van hulp bij algemene dagelijkse levensverrichtingen zoals wassen, eten en aankleden. Appellant kan op basis van zijn medische problematiek in staat worden geacht om zelfstandig te functioneren in zijn dagelijks leven. Gelet op de beperkingen in het gebruik van met name de linkerarm is het aannemelijk dat appellant bepaalde handelingen op een aangepaste manier of met behulp van hulpmiddelen moet verrichten. De verzekeringsarts heeft overwogen dat appellant daarvoor het advies van een ergotherapeut kan inwinnen. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 februari 2022 blijkt dat zij het eens is met de conclusie van de verzekeringsarts. Zij heeft overwogen dat appellant functioneel eenarmig is en dat hij daardoor bij bepaalde huishoudelijke taken problemen zal ondervinden. Dergelijke taken vallen echter buiten het criterium oppassing en verzorging. Appellant is al zijn hele leven eenarmig en is daarom gewend geraakt aan een eenarmig leven. Hij woont alleen, verzorgt zichzelf en vertoont geen gedragsstoornissen. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 oktober 2022, dat in beroep is overgelegd, blijkt dat zij haar conclusie handhaaft. Volgens haar heeft appellant geen hulp van derden nodig, met uitzondering van een enkele incidentele handreiking. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft appellant nadrukkelijk gewezen op het verslag van de huisarts van 5 december 2023. Daarin staat dat appellant ADL-afhankelijk is van zijn partner. Appellant wordt bij het aan en uitkleden geassisteerd door zijn partner. Bij het douchen wordt hij geholpen met uitkleden, afdrogen en aankleden. Volgens het verslag van huisarts wordt appellant ook bij een toiletbezoek ondersteund met het aan- en uitdoen van zijn broek. Volgens de rechtbank kan aan dit verslag van de huisarts niet de waarde worden gehecht die appellant daaraan gehecht wil zien. Daartoe overweegt de rechtbank dat de huisarts slechts de feitelijke situatie heeft beschreven zoals die door appellant en zijn partner is geduid.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig geweest, omdat is verzuimd de meest recente medische informatie op te vragen, onder meer over de gestelde aanwezigheid van een carpaal tunnelsyndroom en PTSS. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij voor de dagelijkse verrichtingen en de huishoudelijke werkzaamheden volledig steunt op zijn partner en dat de conclusie van de rechtbank over het verslag van de huisarts van 5 december 2023 onjuist is.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de vaststelling dat appellant beschikt over arbeidsvermogen, over de ongewijzigde voortzetting van zijn Wajong-uitkering en over de weigering de uitkering te verhogen wegens hulpbehoevendheid in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Arbeidsvermogen
5.1.
Appellant heeft zich op 12 juli 2021 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten, met het verzoek zijn Wajong-uitkering te verhogen naar 75% van het wettelijk minimumloon. Dit betekent dat ter beoordeling voorligt of appellant op 12 juli 2021 (duurzaam) geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft, als bedoeld in artikel 3:8a van de Wajong.
5.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische stukken overgelegd, met uitzondering van een brief van zijn radioloog van 3 november 2022. Anders dan appellant stelt heeft het Uwv alle overgelegde informatie, voor zover van belang voor de situatie op 12 juli 2021, bij de beoordeling betrokken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Er bestaat geen aanleiding om te oordelen dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. Uit de informatie van de radioloog van 3 november 2022 blijkt niet dat sprake is van een carpaal tunnelsyndroom, maar blijkt juist van een normale kalkhoudendheid van het skelet en een normale onderlinge stand van de botstructuren en voorts dat geen sprake is van uitgesproken degeneratieve veranderingen. Ook de gestelde PTSS is door appellant niet met medisch objectieve gegevens onderbouwd. Voor de gestelde toegenomen beperkingen bestaat geen medisch substraat. Het Uwv heeft op goede gronden vastgesteld dat appellant op 12 juli 2021 arbeidsvermogen heeft.
Verhoging bij hulpbehoevendheid [1]
5.3.
In de rapportages van de verzekeringsartsen van 7 september 2021 en van 19 oktober 2022 is uitgebreid weergegeven wat appellant tijdens de spreekuren heeft verteld. Hij heeft onder meer te kennen gegeven dat zijn woonsituatie onveranderd is, waarbij sprake is van een medebewoonster die boven woont en die hij niet als zijn partner beschouwt. Hij verzorgt zichzelf bij het wassen, aankleden, wc-bezoek en douchen. Hij draagt verder gemakkelijke kleding. Een rits dichtdoen is lastig, zo nodig helpt de medebewoonster hem hierbij en een enkele keer helpt ze hem ook wel bij het wassen van zijn rug. Appellant kookt niet en zijn medebewoonster ook niet. Hij gebruikt regelmatig magnetronmaaltijden die hij zelf bereidt. Hij heeft geen hulpverleners voor ADL-activiteiten of voor oppassing, behoudens dan de eerder genoemde incidentele handreikingen door de medebewoonster. Verder is tijdens het spreekuur van 19 oktober 2022 bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep gebleken dat appellant zelf zijn T-shirt uittrok en daarna weer aandeed, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet hoefde te helpen. Op grond van het voorgaande is de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant geen oppassing nodig heeft en dat enkele incidentele handreikingen van derden volstaan, navolgbaar. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor de verhoging van zijn Wajong-uitkering. De overwegingen van de rechtbank die tot deze conclusie hebben geleid, worden volledig onderschreven. Voor zover appellant betoogt dat hij wel voldoet aan de criteria van artikel 3 van de Beleidsregel, wordt hij daarin niet gevolgd. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt niet dat appellant hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen én geregelde handreikingen door anderen noodzakelijk zijn.
5.4.
Dat appellant zich niet herkent in wat de verzekeringsartsen in hun rapporten hebben opgenomen over de anamnese, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Het verslag van de huisarts van 5 december 2023 over wat de partner van appellant aan de huisarts telefonisch heeft verteld, ziet niet op de situatie van 12 juli 2021, de datum van de aanvraag van appellant om verhoging van zijn Wajong-uitkering. Deze informatie, wat daar verder ook van zij, is niet relevant voor de hier aan de orde zijnde beoordeling.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en appellant geen recht heeft op een verhoging van zijn Wajong-uitkering.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 3:9 van de Wajong en de Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid.