ECLI:NL:CRVB:2026:21

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/2336 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van Wajong-uitkering op basis van niet-duurzaam arbeidsvermogen

In deze zaak gaat het om de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellant stelt dat hij op 23 juli 2021, de datum waarop zijn aanvraag is ontvangen, duurzaam geen arbeidsvermogen had en daarom als jonggehandicapte moet worden aangemerkt. Het Uwv heeft echter geconcludeerd dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is, omdat er behandelmogelijkheden zijn. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv ongegrond verklaard, en deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd door de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelt dat het Uwv voldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat er geen medische redenen zijn om aan te nemen dat appellant niet in staat is om in de toekomst arbeidsvermogen te ontwikkelen. De Raad volgt de overwegingen van de rechtbank en concludeert dat het Uwv terecht heeft geweigerd de Wajong-uitkering toe te kennen, omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. De uitspraak van de rechtbank blijft in stand, en appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.

Uitspraak

24/2336 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 september 2024, 22/1633 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 januari 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij op 23 juli 2021 (de dag dat de aanvraag is ontvangen) (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had hij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M. McKernan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. McKernan en zijn begeleidster, [naam begeleidster] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 2001, heeft met een door het Uwv op 23 juli 2021 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellant veel hoofdpijn heeft en daardoor last heeft van concentratiestoornissen. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van specialisten van Zuyderland Medisch Centrum, namelijk van de kinderarts, neuroloog, uroloog, orthopeed en revalidatiearts, verbonden aan RAP (Revalideren, Activeren, Participeren). Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellant weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 20 december 2021 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 24 juni 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat appellant op achttienjarige leeftijd, ondanks beperkingen als gevolg van een sportongeval op zeventienjarige leeftijd, wel over arbeidsvermogen beschikt. Het arbeidsvermogen is op 27 februari 2020, toen appellant zich ziekmeldde voor zijn parttime werk bij een supermarkt, verloren gegaan. Vanaf die datum beschikt appellant niet over werknemersvaardigheden. De situatie is niet als duurzaam aangemerkt, omdat er nog behandelmogelijkheden zijn.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet gebleken is dat de onderzoeken door het Uwv onzorgvuldig zijn geweest. De verzekeringsarts heeft informatie bij de behandelend sector opgevraagd en zelf een psychisch onderzoek verricht. Een brief van revalidatiearts J.F.M. Geboers van 10 juni 2021 heeft de verzekeringsarts betrokken in zijn beoordeling. Verder heeft de rechtbank de inhoudelijke beoordeling onderschreven. Er is sprake van psychische problematiek en het Uwv heeft daarvoor beperkingen aangenomen. Op grond van het dagverhaal, de beschikbare gegevens en de aangegeven beperkingen zijn er geen argumenten om te oordelen dat appellant niet één uur aaneengesloten zou kunnen werken, of appellant niet gedurende vier uur per dag belastbaar te achten. De rechtbank heeft de arbeidskundige beoordeling gevolgd, dat appellant op datum aanvraag niet beschikt over basale werknemersvaardigheden, maar dat de verwachting is dat appellant hierin nog stappen zal zetten en verbetering kan optreden. Verder heeft de rechtbank de toelichting van het Uwv gevolgd dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is, omdat appellant nog behandelingen in de vorm van cognitieve gedragstherapie kan ondergaan ter verbetering van zijn beperkingen en dat medicatie beschikbaar is. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat het Uwv de aanvraag om Wajong-uitkering terecht heeft afgewezen, omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd gehandhaafd, namelijk dat hij door dagelijkse hoofdpijnen en concentratieproblemen niet een uur aaneengesloten kan werken en niet vier uur per dag belastbaar is. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij bezig is met het oppakken van zijn leven en werkt aan zijn zelfredzaamheid. In combinatie met het verrichten van arbeid is dat niet goed mogelijk.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft met verwijzing naar de rapporten die de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidskundige bezwaar en beroep verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Om recht te hebben op een Wajong-uitkering moet een betrokkene als jonggehandicapte kunnen worden aangemerkt. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
4.2.
Niet in geschil is dat appellant op de datum van de aanvraag geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft omdat hij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij daarnaast niet in staat is een uur aaneengesloten te werken en niet vier uur per dag belastbaar is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 16 mei 2022 de toelichting van de primaire verzekeringsarts onderschreven dat er geen medische reden is waarom appellant niet één uur aaneengesloten zou kunnen werken of niet vier uur per dag belastbaar te achten is, omdat bij eigen onderzoek geen aanknopingspunten zijn gevonden voor de forse klachtenpresentatie van appellant. Ook bij specialistische onderzoeken zijn geen specifieke afwijkingen gevonden die de klachten van appellant volledig kunnen verklaren. Desgevraagd heeft appellant ter zitting bij de Raad ook bevestigd dat er geen concrete medische gegevens zijn waaruit dit kan worden afgeleid. De Raad volgt dan ook het standpunt van Uwv dat het arbeidsvermogen van appellant per datum aanvraag uitsluitend ontbreekt wegens het niet beschikken over werknemersvaardigheden. De vraag is vervolgens of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
4.3.
De beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. [1] Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. [2] Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het Uwv niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het Uwv moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. Anders dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) [3] kan in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. In een situatie waarin het arbeidsvermogen tijdelijk ontbreekt wordt voor de toepassing van de Wajong de duurzaamheid na een periode van tien jaar alsnog verondersteld aanwezig te zijn. [4]
4.4.
Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’. Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. In het beoordelingskader is een stappenplan (zie bijlage) opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.
4.5.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat op de datum van de Wajong-aanvraag (23 juli 2021) niet uitgesloten was dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij appellant nog konden ontwikkelen. De Raad onderschrijft de overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen en voegt daar het volgende aan toe.
4.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 16 mei 2022 inzichtelijk onderbouwd dat appellant door het behandelen van de ervaren spanningen en depressieve klachten actiever zal kunnen worden en uit de negatieve spiraal zal kunnen raken. Cognitieve gedragstherapie zou daarvoor een oplossing kunnen zijn. Ook (tijdelijke) medicatie kan bijdragen aan herstel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook gewezen op de conclusie van revalidatiearts Geboers in zijn brief van 19 november 2021, waarin onder ‘Beleid’ is vermeld dat het van wezenlijk belang is dat ‘in eerste instantie via de individuele begeleiding met cliënt gewerkt wordt aan het oppakken van zijn zelfredzaamheid en stapsgewijs opbouwen van zijn functioneren en belastbaarheid voordat er ruimte is voor arbeidsre-integratie onderzoek en begeleiding. Gezien de resultaten van het neuropsychologisch onderzoek zal hierbij naar verwachting ook begeleiding noodzakelijk zijn.’ Het Uwv stelt zich op het standpunt dat hieruit ook blijkt dat voor de door appellant ervaren klachten nog behandeling mogelijk is en er nog perspectief bestaat op ontwikkeling van vaardigheden en herstel. De Raad acht deze conclusie – gelet op de beschikbare medische gegevens – inzichtelijk en begrijpelijk. Dat het ambulant revalidatietraject, dat appellant vanaf oktober 2021 bij RAP heeft doorlopen, volgens appellant niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, betekent niet dat het Uwv per datum aanvraag ervan moest uitgaan dat er geen ontwikkeling meer mogelijk was en herstel was uitgesloten Appellant heeft ter zitting toegelicht dat na afronding van het revalidatietraject bij RAP nader onderzoek in België heeft plaatsgevonden en hem medicatie als behandeloptie is aangeboden. Ook hieruit volgt dat het Uwv op 23 juli 2021 niet hoefde uit te gaan van de situatie dat er geen ontwikkeling meer mogelijk was en herstel was uitgesloten.
4.7.
Gelet op 4.1 tot en met 4.6 heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat het ontbreken van arbeidsvermogen van appellant op 23 juli 2021 niet duurzaam was en dat appellant daarom niet als jonggehandicapte is aan te merken.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong.
2.Kamerstukken II 2011/12, 33 161, nr. 3 onder 5.1.
3.Artikel 4, derde lid, van de Wet WIA.
4.Artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong.