ECLI:NL:CRVB:2026:186

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
24/2347 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.5 Wsf 2000Art. 5.7 Wsf 2000Art. 5.16 Wsf 2000Art. 11.5 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omzetting prestatiebeurs hoger onderwijs in gift wegens overschrijding diplomatermijn

Betrokkene ontving studiefinanciering voor een gestaakte hbo-opleiding, een mbo-opleiding en een hbo-opleiding. De diplomatermijn van tien jaar, gestart bij de eerste toekenning van studiefinanciering voor hoger onderwijs, werd overschreden. De rechtbank oordeelde dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen en de prestatiebeurs moest omzetten in een gift.

De minister ging in hoger beroep en stelde dat de diplomatermijn van tien jaar voldoende ruim is en dat de hardheidsclausule terughoudend moet worden toegepast, alleen bij overmacht. Betrokkene verwees naar onjuiste informatie van DUO over de diplomatermijn bij overstap van mbo naar hbo.

De Raad oordeelde dat de minister terecht de omzetting weigerde omdat betrokkene geen bijzondere omstandigheden had aangetoond en de overschrijding mede het gevolg was van eigen keuzes, zoals een jaar werken. De hardheidsclausule is niet bedoeld voor algemene billijkheidstoetsen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.

Uitkomst: De minister mag weigeren de prestatiebeurs om te zetten in een gift omdat betrokkene de diplomatermijn overschreed zonder bijzondere omstandigheden aan te tonen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2347 WSF
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 september 2024, 24/2565 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 19 februari 2026

SAMENVATTING

Betrokkene heeft achtereenvolgens een prestatiebeurs ontvangen voor een (door hem gestaakte) hbo-opleiding Accountancy, een technische mbo-opleiding, en een technische hbo-opleiding. Daarbij heeft betrokkene de diplomatermijn hoger onderwijs, die voor betrokkene was aangevangen met de start van de hbo-opleiding Accountancy, overschreden. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule door de diplomatermijn hoger onderwijs niet aan betrokkene tegen te werpen en de prestatiebeurs die hij heeft ontvangen voor het door hem gevolgde hoger onderwijs om te zetten in een gift. De Raad volgt de rechtbank niet en oordeelt dat de minister in het geval van betrokkene mag weigeren om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak op zitting behandeld op 11 december 2025. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door zijn vader, [naam vader] .

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Vanaf oktober 2011 heeft betrokkene op grond van de Wsf 2000 [1] een studiejaar studiefinanciering ontvangen voor een door hem gestaakte hbo-opleiding Accountancy aan de Hogeschool Avans. Vervolgens heeft betrokkene een jaar gewerkt.
1.2.
Vanaf oktober 2013 heeft betrokkene vijf jaar studiefinanciering ontvangen voor een mbo-opleiding Technisch Specialist Personenauto’s. Nadat betrokkene zijn mbo-opleiding medio 2018 had voltooid is het prestatiebeursgedeelte van de voor die opleiding toegekende studiefinanciering omgezet in een gift.
1.3.
Vanaf september 2018 tot oktober 2021 heeft betrokkene studiefinanciering ontvangen voor een vierjarige hbo-opleiding Automotive aan de Hogeschool Arnhem/Nijmegen. Betrokkene heeft voor die opleiding op 4 juli 2022 een afsluitend diploma behaald.
1.4.
Betrokkene heeft de minister bij brief van 27 oktober 2023 gevraagd om de aan hem voor zijn hbo-opleiding uitbetaalde prestatiebeurs, al dan niet onder toepassing van de hardheidsclausule, om te zetten in een gift.
1.5.
Bij besluit van 5 december 2023 is door de minister afwijzend beslist op het onder 1.4 vermelde omzettingsverzoek van betrokkene. Het bezwaar van betrokkene daartegen heeft de minister bij besluit van 29 januari 2024 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat betrokkene voor het eerst studiefinanciering heeft ontvangen voor het volgen van een hbo-opleiding in oktober 2011. De diplomatermijn van tien jaren is toen aangevangen. Omdat betrokkene zijn afsluitend diploma voor de hbo-opleiding Automotive niet binnen die termijn heeft behaald, heeft hij geen recht op omzetting van de prestatiebeurs in een gift.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de afwijzende beslissing van de minister te herroepen en te bepalen dat de aan betrokkene uitbetaalde prestatiebeurs alsnog volledig wordt omgezet in een gift. De rechtbank heeft aan haar uitspraak ten grondslag gelegd dat de minister toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000, omdat het onverkort vasthouden aan de diplomatermijn van tien jaar naar het oordeel van de rechtbank in het geval van betrokkene leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Daartoe is bepalend geacht dat betrokkene de diplomatermijn heeft overschreden met slechts negen maanden, dat betrokkene zowel een mbo- als een hbo-diploma heeft behaald, dat betrokkene inmiddels aan het werk is in zijn beoogde vakgebied en dat betrokkene minder dan tien jaar studiefinanciering heeft ontvangen.
Het standpunt van de minister
3. De minister is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het doel van de diplomatermijn is om studenten te prikkelen om binnen een redelijke termijn af te studeren. [2] De wetgever heeft voorzien in een uitzondering op die dwingende termijn in artikel 5.16 van de Wsf 2000. Betrokkene heeft niet voldaan aan de voorwaarden van dat artikel. Toepassing van de hardheidsclausule om niettemin te voorzien in verlenging van de diplomatermijn dient, gelet op het uitgangspunt en de wettelijke systematiek, terughoudend plaats te vinden. De rechtbank heeft dat miskend door een algemene billijkheidstoets toe te passen en daarbij gewicht toe te kennen aan de eigen keuzes van betrokkene, terwijl het zou moeten gaan om een overmachtssituatie. Tijdens de zitting heeft de minister uiteengezet dat de wetgever een diplomatermijn van tien jaar voldoende ruim heeft geacht om moeilijkheden tijdens de studie op te vangen. Verder heeft betrokkene volgens de minister niet blind mogen varen op algemene informatie over het recht op studiefinanciering voor studenten die na een mboopleiding voor het eerst starten met een hbo-opleiding.
Het standpunt van betrokkene
4. Betrokkene heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Betrokkene erkent dat hij niet voldoet aan de vereisten voor toepassing van artikel 5.16 van de Wsf 2000, maar vindt dat er wel sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard op grond waarvan de minister toepassing moet geven aan artikel 11.5 van de Wsf 2000. In dat kader heeft betrokkene gesteld dat behalve de omstandigheden die door de rechtbank al zijn meegewogen bij de toepassing van de hardheidsclausule, ook moet worden meegewogen dat de informatie op de website van de DUO hem op het verkeerde been heeft gezegd voor wat betreft zijn beslissing om een hbo-opleiding Automotive te volgen. Op de website stond immers: ‘Doet u mbo 3 of 4, hbo of universiteit? Dan hebt u 10 jaar de tijd om uw studiefinanciering te gebruiken, gerekend vanaf de 1e maand dat u het krijgt. (…) Er is 1 uitzondering: stapt u over van mbo naar hbo? Dan begint de periode van 10 jaar opnieuw.’ Betrokkene heeft uit die tekst afgeleid dat er opnieuw een diplomatermijn start als een student van een mbo-opleiding overstapt naar een hbo-opleiding.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd aan de hand van wat de minister in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Daarbij slaat de Raad acht op het verweer van betrokkene. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van de minister slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
De diplomatermijn hoger onderwijs bedraagt een periode van tien jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs. Dit is geregeld in artikel 5.5 van de Wsf 2000.
5.2.
Als een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden. Dit is bepaald in artikel 5.16, eerste lid, van de Wsf 2000.
5.3.
Als een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn verlengd met vijf jaren. Dat is geregeld in artikel 5.16, tweede lid, van de Wsf 2000.
5.4.
Op grond van artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000 stelt de minister op aanvraag van de student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend door de student worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven.
5.5.
De Raad stelt vast, en dat is tussen partijen ook niet in geschil, dat betrokkene zijn diploma in het hoger onderwijs niet heeft behaald binnen de voor hem geldende diplomatermijn van tien jaar, die voor betrokkene is geëindigd op 30 september 2021. Ook heeft betrokkene geen aanvraag ingediend als bedoeld in het vijfde lid van artikel 5.16 van de Wsf 2000.
5.6.
Het geding beperkt zich in hoger beroep tot de vraag of de minister mocht en mag weigeren om de aan betrokkene voor zijn hbo-opleiding uitbetaalde prestatiebeurs met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000 om te zetten in een gift. De Raad is van oordeel dat de minister dit mag weigeren, en legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
5.7.
In artikel 11.5 van de Wsf 2000 is door de wetgever aan de minister de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze hardheidsclausule biedt de minister niet de mogelijkheid om een uitzondering te maken op een bepaling in de Wsf 2000, als de onverkorte toepassing van die bepaling in het concrete geval in overeenstemming moet worden geacht met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet.
5.8.
In vaste rechtspraak heeft de Raad enkele hoofdlijnen van het toetsingskader voor de beoordeling van individuele verzoeken om verlenging van de diploma- en opnametermijn uiteengezet. Kort samengevat en voor zover voor deze zaak van belang gaat het hierbij om het volgende. De wetgever heeft op enig moment bewust gekozen voor een verruiming van de diploma- en opnametermijn van zes tot tien jaren. De bedoeling van deze verruiming is blijkens de wetsgeschiedenis, dat het slechts bij hoge uitzondering zal voorkomen dat studenten door bijzondere omstandigheden niet voldoen aan de prestatie-eisen. Voor die gevallen biedt primair de specifieke regeling van artikel 5.16 van de Wsf 2000 een uitweg. Gelet op deze uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is in ‘verlengingszaken’, naast de regeling van artikel 5.16 van de Wsf 2000, niet snel plaats voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000. Dit wil niet zeggen dat de minister nooit ruimte heeft om met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000 af te wijken van artikel 5.5 van de Wsf 2000. De wetgever heeft in artikel 11.5 van de Wsf 2000 immers niet bepaald dat dit artikel niet van toepassing is op artikel 5.5 van de Wsf 2000. [3]
5.9.
Naar het oordeel van de Raad leiden de door de rechtbank genoemde omstandigheden er niet toe dat in het geval van betrokkene onverkorte toepassing van de diplomatermijn een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. De Raad merkt in dit verband in de eerste plaats op dat de termijn van tien jaar ook voor de afgebroken studie en twee voltooide studies van betrokkene voldoende zou zijn geweest, als betrokkene er niet voor zou hebben gekozen een jaar tussendoor te werken en niet te studeren. Betrokkene heeft gesteld dat het lange studieverloop niet enkel berust op eigen keuzes maar ook te wijten is aan zijn diagnose PDD-NOS. Betrokkene heeft wel stukken overgelegd met betrekking tot deze diagnose, maar de gevolgen daarvan voor zijn studieverloop niet nader met verifieerbare gegevens onderbouwd. Ook heeft hij geen verzoek ingediend om toepassing van artikel 5.16 van de Wsf 2000.
5.10.
De rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd de duur van de overschrijding van de diplomatermijn, het feit dat betrokkene zowel een mbo- als een hbodiploma heeft behaald en het feit dat betrokkene minder dan tien jaar studiefinanciering heeft ontvangen. Dit zijn om de volgende redenen geen omstandigheden die moeten leiden tot het oordeel dat onverkort vasthouden aan de diplomatermijn van tien jaar in de situatie van betrokkene leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard in de zin van artikel 11.5 van de Wsf 2000.
5.10.1.
De diplomatermijn voorziet al in een ruime termijn om een bijzonder studieverloop op te vangen. Door de al dan niet beperkte duur van de overschrijding in bepalende mate mee te laten wegen, zonder dat deze overschrijding is gekoppeld aan bijvoorbeeld een situatie van overmacht, bestaat het risico dat de diplomatermijn zinledig wordt. Dat is in strijd met de bedoeling en strekking van de wet.
5.10.2.
Het feit dat betrokkene twee diploma’s heeft behaald is evenmin doorslaggevend nu het deel van de prestatiebeurs dat is toegekend voor de mbo-opleiding al is omgezet in een gift, zodat voor betrokkene alleen de prestatiebeurs toegekend in verband met de hboopleiding nog in geding is.
5.10.3.
Het feit dat er minder dan tien jaar studiefinanciering is genoten is eveneens beperkt relevant, nu de diplomatermijn in eerste instantie is bedoeld studenten te prikkelen binnen een redelijke termijn af te studeren, en niet zozeer om de termijn van de verlening van de studiefinanciering te beperken. In het algemeen is de maximale termijn van studiefinanciering voor een mbo-opleiding niveau 3 of 4 of in het hoger onderwijs immers zeven jaar, waarvan vier jaar prestatiebeurs. [4]
5.11.
In de omstandigheid dat betrokkene zich bij de start van zijn vierjarige hboopleiding Automotive in september 2018 mogelijk niet goed heeft gerealiseerd dat de diplomatermijn hoger onderwijs in zijn geval op 30 september 2021 zou verstrijken, zodat hij het afsluitend examen van die hbo-opleiding niet binnen de diplomatermijn kon behalen, hoeft de minister naar het oordeel van de Raad evenmin aanleiding te zien voor toepassing van de hardheidsclausule. De diplomatermijnen voor het (middelbaar) beroepsonderwijs en het hoger onderwijs behoren immers tot de hoofdlijnen van de Wsf 2000 waarvan studerenden worden geacht op de hoogte te zijn. [5]
5.12.
Betrokkene heeft in hoger beroep ten aanzien van zijn beroep op de hardheidsclausule verder nog verwezen naar namens de minister door DUO verspreide informatie. Deze informatie houdt in dat er opnieuw een diplomatermijn van tien jaar start als een student van een mbo-opleiding overstapt naar een hbo-opleiding. Deze (algemene) informatie is echter gericht op studenten die na een mbo-opleiding voor het eerst studiefinanciering ontvangen voor een hbo-opleiding, terwijl betrokkene voorafgaand aan zijn mbo-opleiding al voor het eerst studiefinanciering heeft ontvangen voor een hboopleiding. Deze voorziening is dus op betrokkene niet van toepassing. Uit wat op zitting is besproken blijkt dat hierover vóór de aanvang van de tweede hbo-opleiding ten huize van betrokkene twijfels bestonden, en dat om die reden verschillende opties aan de orde zijn geweest voor de financiering van deze studie. Betrokkene had meer op zijn specifieke situatie toegespitste informatie kunnen inwinnen, maar heeft dat niet gedaan. Daarom blijft de omstandigheid dat betrokkene zich mogelijk niet goed heeft gerealiseerd dat hij bij het starten van een vierjarige opleiding in september 2018 niet binnen de diplomatermijn het afsluitend examen van die opleiding kon behalen, voor zijn rekening.
5.13.
De Raad merkt verder nog op dat de situatie van betrokkene zich ook wezenlijk onderscheidt van die van studenten die in september 2018 na een mbo-opleiding voor het eerst studiefinanciering ontvingen voor een hbo-opleiding. Betrokkene kwam, omdat hij al in 2011 studiefinanciering had genoten ingevolge de overgangsregeling van artikel 12.14 van de Wsf 2000 nog in aanmerking voor een basis(prestatie)beurs voor zijn hbo-opleiding. Studenten die in september 2018 na een mbo-opleiding voor het eerst studiefinanciering ontvingen voor een hbo-opleiding, kwamen door de invoering van het leenstelsel niet meer in aanmerking voor een basis(prestatie)beurs die in een gift kon worden omgezet. Ook voor die studenten was de basisbeurs dus een lening.
5.14.
De Raad komt tot de conclusie dat de onverkorte toepassing van de diplomatermijn in de omstandigheden van betrokkene, ook wanneer deze in onderlinge samenhang worden beschouwd, geen onbillijkheid van overwegende aard tot gevolg heeft. De minister heeft dan ook mogen weigeren de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000 in zijn geval toe te passen. Dit neemt niet weg dat een wettelijk systeem dat voor atypische situaties met betrekking tot de diplomatermijn, zoals hier aan de orde, afwijkt van de hoofdregel van “alles-of-niets”, ook denkbaar zou zijn. Het is echter aan de wetgever om op dit punt al dan niet stappen te zetten.
Conclusie en gevolgen
6. Uit punt 5.6 tot en met 5.10 volgt dat het hoger beroep van de minister slaagt, dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, en dat het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond moet worden verklaard. De minister is dus niet verplicht om de aan betrokkene toegekende prestatiebeurs voor hoger onderwijs om te zetten in een gift. Omdat het hoger beroep van de minister slaagt, de aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond wordt verklaard, hoeft de minister de bij de rechtbank gemaakte proceskosten en betaalde griffierecht en de in hoger beroep gemaakte proceskosten van betrokkene niet te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet studiefinanciering 2000
Tekst art. 5.5 Diplomatermijn hoger onderwijs
De diplomatermijn hoger onderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs.
Tekst art. 5.7 Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn hoger onderwijs
(…)
3. Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding, hbo-masteropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afrondt, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift. Onverminderd de eerste volzin, wordt van de toegekende reisvoorziening één jaar extra omgezet in een gift.
(…)
Tekst art. 5.16 Bijzondere omstandigheden
1. Indien een ho-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.
2. Indien een ho-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
(…)
5. Onze Minister stelt op aanvraag van de ho-student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de ho-student is ingeschreven.
Tekst art. 11.5 Hardheidsclausule
Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Voetnoten

1.Wet studiefinanciering 2000.
2.De minister verwijst naar Kamerstukken II 1999/00, 26 873, nr. 3, p. 7-8.
3.Zie de uitspraak van de Raad van 19 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1393.
4.Zie artikel 4.7 en artikel 5.2 Wsf 2000.
5.Zie de uitspraak van de Raad van 5 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2145, r.o. 4.8.