1.3.Bij besluit van 20 maart 2019, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 21 augustus 2019 (bestreden besluit), heeft de minister het verzoek van appellante afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat niet voldaan is aan de in artikel 5.16, eerste of tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) gestelde voorwaarden voor verlenging van de diplomatermijn. Voor toepassing van de hardheidsclausule wordt geen aanleiding gezien.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is, mede gelet op het advies van de medisch adviseur van de minister, de overschrijding van de diplomatermijn niet het directe gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke of structurele aard. De overschrijding van de diplomatermijn is het directe gevolg van de door appellante gemaakte keuzes om bepaalde perioden geen opleiding te volgen, in de periode van 1 september 2012 tot 1 juli 2015 eerst een mbo-opleiding te volgen en pas op 1 september 2016 te herstarten met een hbo-opleiding. Gelet op de nominale studieduur van vier jaar was het reeds op dat moment voorzienbaar dat zij het diploma niet binnen de diplomatermijn zou kunnen halen. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister in de door appellante gestelde omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven te zien voor toepassing van de hardheidsclausule. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt ten slotte niet.
3. In hoger beroep wordt – kort samengevat – aangevoerd dat het te laat starten met een hboopleiding niet per definitie in de weg staat aan een verlenging van de diplomatermijn, dat de overschrijding van de diplomatermijn veroorzaakt kan worden door meerdere redenen en niet per definitie alleen de meest dicht tegen het gevolg aanliggende oorzaak relevant is, dat de overschrijding van de diplomatermijn in het geval van appellante veroorzaakt is door een combinatie van bijzondere omstandigheden waardoor zij een periode niet heeft kunnen studeren en zij noodgedwongen eerst een mbo-opleiding heeft moeten volgen, dat er reden is voor toepassing van de hardheidsclausule en dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.Ingevolge artikel 5.5 van de Wsf 2000 is de diplomatermijn hoger onderwijs een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs.
4.1.2.Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt, indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.
4.1.3.Ingevolge artikel 5.16, tweede lid, van de Wsf 2000 wordt, indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
4.1.4.Ingevolge artikel 5.16, vijfde lid stelt de minister op aanvraag van de student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven.