ECLI:NL:CRVB:2026:174

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
24/1905 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 ParticipatiewetArt. 16 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstand wegens te lang verblijf in buitenland zonder zeer dringende redenen

Appellant verbleef langer dan vier weken aaneengesloten in het buitenland, waardoor op grond van artikel 13 van Pro de Participatiewet geen recht op bijstand bestond. Het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk trok daarom de bijstand per 4 januari 2022 in. Appellant voerde aan dat hij door een val in Engeland in het ziekenhuis moest worden opgenomen en bedrust nodig had, en dat zijn woning tijdelijk onbewoonbaar was door renovatie, waardoor hij niet eerder kon terugkeren.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een acute noodsituatie of zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de Participatiewet. De stellingen van appellant werden niet met stukken onderbouwd en de Raad ontving geen aanvullende medische rapportages.

De Raad benadrukte dat zeer dringende redenen een schrijnende situatie vereisen waarbij het niet verlenen van bijstand tot ernstige gevolgen leidt. De omstandigheden van appellant voldeden hier niet aan. Ook verwees de Raad naar eerdere rechtspraak en maakte duidelijk dat de intrekking van de bijstand in stand blijft en dat appellant geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens te lang verblijf in het buitenland zonder zeer dringende redenen wordt bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer

24.1905 PW-PV

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2024, 22/2903 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)
Datum uitspraak: 10 februari 2026
Zitting heeft: E.J.M. Heijs
Griffier: A.T. Dannenberg
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 februari 2026. Partijen zijn niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Deze zaak gaat over een besluit van 12 januari 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 1 april 2022 (bestreden besluit), waarbij het college de bijstand van appellant met ingang van 4 januari 2022 heeft ingetrokken. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant in de periode waar het hier om gaat geen recht op bijstand had, omdat hij te lang in het buitenland heeft verbleven en er geen zeer dringende redenen zijn om toch bijstand te verlenen.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Niet in geschil is dat appellant een aaneengesloten periode van langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven en daarom op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Participatiewet (PW) vanaf 4 januari 2022 geen recht op bijstand had.
Een bestuursorgaan kan aan een persoon die op grond van de PW geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid van de PW. Tussen partijen is alleen in geschil of in het geval van appellant sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW.
Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. [1] Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. [2]
Met het college en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een acute noodsituatie verkeerde. De stelling van appellant dat hij door een val noodgedwongen moest worden opgenomen in het ziekenhuis in Engeland, daarna bedrust nodig had en hierdoor niet eerder kon terugkeren naar Nederland, slaagt alleen al niet omdat hij deze stelling op geen enkele wijze met stukken heeft onderbouwd. Hoewel appellant in hoger beroep heeft laten weten voornemens te zijn om naar Engeland te gaan voor het vergaren van medische rapportages ter onderbouwing van zijn standpunt, heeft de Raad geen nadere stukken van appellant ontvangen. Ook de stelling dat de woning van appellant tussen januari 2022 en maart 2022 tijdelijk onbewoonbaar was vanwege een renovatie en hij om die reden niet eerder kon terugkeren naar Nederland, slaagt alleen al niet omdat hij die stelling niet aannemelijk heeft gemaakt.
Voor zover appellant een beroep heeft gedaan op de uitspraak van de Raad van 18 april 2024 [3] wordt overwogen dat deze uitspraak ziet op de uitleg van het begrip ‘dringende redenen’ in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Dit begrip komt weliswaar ook voor in de PW, maar heeft niet dezelfde betekenis als ‘zeer dringende redenen’ als bedoeld in artikel 16 PW Pro. De uitspraak van 18 april 2024 kan appellant in deze zaak dan ook niet baten.
De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt en dat de intrekking van de bijstand in stand blijft. Dit betekent ook dat appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het griffierecht krijgt.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.T. Dannenberg (getekend) E.J.M. Heijs

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.