ECLI:NL:CRVB:2026:171
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens te lang verblijf in buitenland zonder zeer dringende redenen
Appellante verbleef vanaf 24 september 2022 langer dan de maximaal toegestane vier weken in het buitenland, waardoor zij op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Participatiewet (PW) was uitgesloten van het recht op bijstand. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag trok daarom de bijstand met ingang van 24 september 2022 in en vorderde de verleende bijstand over de periode tot en met 31 december 2022 terug.
Appellante voerde aan dat er zeer dringende redenen waren om toch bijstand te verlenen, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW, vanwege haar medische situatie die haar terugkeer naar Nederland zou hebben belemmerd. De Raad benadrukte dat zeer dringende redenen alleen aan de orde zijn bij een acute noodsituatie, bijvoorbeeld een levensbedreigende situatie of ernstig letsel, en dat het aan de betrokkene is om dit aannemelijk te maken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante niet had aangetoond dat sprake was van een acute noodsituatie of dat haar medische situatie haar terugkeer tijdig had verhinderd. Daarom was er geen grond voor bijstandverlening op basis van artikel 16, eerste lid, PW. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bleef in stand. Tevens werd appellante geen vergoeding voor proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand blijft in stand.