ECLI:NL:CRVB:2026:130

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
24/314 WAD
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 AMAR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag wegens wangedrag onterecht wegens onvoldoende bewijs harddrugsgebruik

Appellant werkte sinds 2013 bij Defensie en werd in 2019 als navigator FRISC ingezet met een taak in drugsbestrijding. In 2021 werd appellant twee keer staande gehouden en getest op drugsgebruik, waarna hij werd ontslagen wegens vermeend harddrugsgebruik. De staatssecretaris baseerde het ontslag op positieve speekseltesten, bloed- en urinetesten, en expliciete Whatsapp-berichten op de telefoon van appellant.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het ontslag, stellende dat de Whatsapp-berichten en testresultaten voldoende bewijs vormden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de testresultaten mogelijk vals-positief waren en dat de berichten niet overtuigend waren, maar de rechtbank oordeelde anders.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de testresultaten op zichzelf onvoldoende zijn om de overtuiging te verkrijgen dat appellant harddrugs gebruikte, mede vanwege mogelijke vals-positieve uitslagen en passieve inhalatie. Ook de Whatsapp-berichten, foto’s en geluidsfragmenten op de telefoon van appellant zijn onvoldoende om tot die overtuiging te komen, mede door de context en toelichting van appellant.

Daarnaast zijn de anonieme getuigenverklaringen die de staatssecretaris aanvoerde niet betrokken in de bezwaarprocedure en kunnen zij de overtuiging niet versterken. De Raad vernietigt daarom het ontslagbesluit en herroept het ontslag, waardoor appellant weer in dienst wordt genomen. Tevens worden de proceskosten en griffierechten aan appellant vergoed.

Uitkomst: Het ontslag wegens wangedrag wordt vernietigd en appellant wordt weer in dienst genomen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 december 2023, 22/586 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Defensie, nu de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
Datum uitspraak: 22 januari 2026

SAMENVATTING

Het ontslag van appellant wegens wangedrag houdt geen stand. Appellant wordt door de staatssecretaris verweten dat hij zich heeft ingelaten met harddrugs. De overtuiging dat appellant deze gedraging heeft begaan, kan uit de beschikbare gegevens echter niet worden verkregen.

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de Staatssecretaris van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Defensie.
Namens appellant heeft mr. D.F.W. Schalkwijk, advocaat, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schalkwijk. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Rikhof.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant werkte sinds 2013 bij Defensie. In 2019 is hem de functie toegewezen van navigator FRISC met als standplaats [land] . Appellant hield zich daar onder meer bezig met drugsbestrijding.
1.2.
Op [datum 1] 2021 is appellant door de politie op [land] staande gehouden en is bij hem een speeksel- en ademtest afgenomen. Na de testuitslag is hij als verdachte van rijden onder invloed aangehouden en is bij hem bloed en urine afgenomen voor nader onderzoek. Naar aanleiding van de aanhouding is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Daarbij is de mobiele telefoon van appellant uitgelezen. Op [datum 2] 2021 is appellant opnieuw staande gehouden en is bij hem opnieuw een speeksel- en ademtest afgenomen. Verder zijn door de Koninklijke Marechaussee (KMar) een aantal getuigen gehoord die verklaringen over onder andere het vermeende (hard)drugsgebruik van appellant hebben afgelegd.
1.3.
Op 4 mei 2021 heeft de staatssecretaris aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt hem uit zijn functie te ontheffen en hem te repatriëren naar Nederland. Verder is het voornemen kenbaar gemaakt appellant te ontslaan wegens wangedrag. Op 11 mei 2021 heeft appellant hierop mondeling zijn zienswijze gegeven. Met een besluit van 17 juni 2021 heeft de staatssecretaris appellant ontslag wegens wangedrag verleend. [1] Het bezwaar daartegen heeft de staatssecretaris met een besluit van 13 december 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Volgens de staatssecretaris blijkt het zich inlaten met harddrugs uit twee positieve speekseltesten op [datum 1] en [datum 2] 2021, de uitslag van het bloedonderzoek op [datum 3] 2021 en de uitslag van de urinetest op [datum 4] 2021. De nadere toelichting van 14 mei 2021 van drs. L.A. Arrendell, forensisch toxicoloog, op de testresultaten en het expertiserapport van 14 oktober 2021 van dr. D. de Boer, biochemicus, doen daar niet aan af. Daarnaast zijn de op de mobiele telefoon van appellant aangetroffen Whatsapp-berichten, afbeeldingen en geluidsfragmenten zo expliciet dat alleen al op basis daarvan de overtuiging is verkregen dat appellant zich heeft ingelaten met harddrugs. De stelling van appellant dat hij een grappenmaker is en dat sprake is van grootspraak, is volgens de staatssecretaris op geen enkele manier onderbouwd en is, gelet op de inhoud van de gesprekken, onaannemelijk. Tot slot is vermeld dat de tegenover de KMar afgelegde getuigenverklaringen die in het bezit zijn van de staatssecretaris geen onderdeel hebben uitgemaakt van de heroverweging, omdat appellant daarvan nog geen kennis heeft kunnen nemen en er niet op heeft kunnen reageren.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daarmee dat besluit in stand gelaten.
2.1.
Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris zich bij het verkrijgen van zijn overtuiging dat appellant zich heeft ingelaten met harddrugs gebaseerd op voldoende deugdelijk vastgestelde gegevens. Ten eerste is terecht uit de Whatsapp-gesprekken, foto’s en het geluidsfragment die op de telefoon van appellant zijn aangetroffen, afgeleid dat hij zich heeft ingelaten met harddrugs. De Whatsapp-gesprekken laten zien dat appellant meerdere malen en aan verschillende personen naar zijn harddrugsgebruik verwijst. De rechtbank is van oordeel dat de gesprekken zodanig specifiek zijn dat enkel grootspraak of (zwarte) humor onaannemelijk is. Aan dit oordeel kunnen de verklaringen van verschillende kennissen die appellant heeft overgelegd niet afdoen. Ook de toelichting van appellant op verschillende Whatsapp-gesprekken overtuigt niet van zijn stelling dat de opmerkingen alleen als grootspraak of (zwarte) humor bedoeld waren.
2.2.
Daarnaast acht de rechtbank de testresultaten van belang. Hieruit blijkt dat geringe sporen van het afbraakproduct van cocaïne zijn aangetroffen. Drs. Arrendell en de door appellant ingeschakelde dr. De Boer hebben te kennen gegeven dat zonder nader onderzoek niet is uitgesloten dat sprake is van een vals positieve uitslag. De rechtbank stelt echter vast dat een aantal van de hiervoor genoemde Whatsapp-gesprekken over het gebruik van cocaïne zijn gevoerd vlak voor de aanhouding van appellant op [datum 1] 2021. Dat past in het tijdbestek waarin appellant drugs kan hebben gebruikt en het moment waarop appellant positief testte en de geringe sporen in zijn bloed en urine aanwezig waren. De rechtbank is daarom van oordeel dat de staatssecretaris op basis van de Whatsapp-gesprekken, de speekseltest en de resultaten van de bloed- en urinetesten de overtuiging heeft mogen verkrijgen dat appellant de hem verweten gedraging heeft begaan.
2.3.
Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het ontslag niet onevenredig is aan de ernst van het wangedrag, mede gezien de bijzondere taakstelling van de krijgsmacht.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak [2] geldt voor een ontslag wegens wangedrag als vereiste dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de betrokken militair zich aan de hem verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt.
4.3.
In de eerste plaats overweegt de Raad dat de testresultaten op zichzelf bezien onvoldoende zijn om de overtuiging te verkrijgen dat appellant zich heeft ingelaten met harddrugs. Daartoe wijst de Raad op het volgende. In het rapport van 9 april 2021 van drs. Arrendell en de in 1.3 vermelde toelichting daarop van 14 mei 2021 staat dat na de monsterafname op [datum 1] 2021 zeer geringe hoeveelheden cocaïnesporen in de urine zijn aangetroffen en dat het zonder nader onderzoek aannemelijk is dat het mogelijk een vals positieve uitslag betreft. Bovendien zijn de cocaïnesporen niet teruggevonden in het bloedmateriaal. Daarom kan op basis van de testresultaten niet zonder meer worden vastgesteld dat appellant cocaïne heeft ingenomen of überhaupt is blootgesteld aan cocaïne. Volgens drs. Arrendell kunnen de verkregen resultaten mogelijk worden verklaard door een kruisreactie of door passieve inhalatie. In het rapport van 14 oktober 2021 van dr. De Boer is als conclusie vermeld dat er totaal geen ondubbelzinnig bewijs is voor de aanwezigheid van het afbraakproduct van cocaïne (benzoylecgonine) in het biologisch materiaal van appellant. Daarnaast benoemt ook dr. De Boer de mogelijkheid van passieve inhalatie.
4.4.
Zoals namens de staatssecretaris ter zitting is toegelicht, heeft hij de testresultaten beoordeeld in combinatie met de Whatsapp-gesprekken, foto’s en geluidsfragmenten die op de telefoon van appellant zijn aangetroffen. Er zijn op de telefoon van appellant enkele Whatsapp-berichten aangetroffen waarin wordt verwezen naar drugs dan wel het gebruik ervan. Appellant heeft steeds ontkend dat hij zich met harddrugs heeft ingelaten en in de stukken en ter zitting heeft hij nader toegelicht in welke context de desbetreffende berichten moeten worden bezien. Mede gelet daarop kan op basis van de Whatsapp-berichten niet de overtuiging worden verkregen dat appellant zich met harddrugs heeft ingelaten. Dat geldt ook voor de aangetroffen foto’s en geluidsfragmenten.
4.5.
Uit 4.3 en 4.4 volgt dat zowel uit de testresultaten, als de Whatsapp-berichten, foto’s en geluidsfragmenten niet de overtuiging kan worden verkregen dat appellant zich met harddrugs heeft ingelaten. De Raad volgt dan ook niet het standpunt van de staatssecretaris dat die gegevens in onderlinge samenhang bezien voldoende zijn om de overtuiging te verkrijgen dat appellant zich heeft ingelaten met harddrugs.
4.6.
Tot slot kan ook uit de door de staatssecretaris ter zitting genoemde getuigenverklaringen niet de overtuiging worden verkregen dat appellant zich met harddrugs heeft ingelaten. Het gaat om anonieme getuigenverklaringen die, zoals vermeld onder 1.3, uitdrukkelijk niet in de heroverweging in de bezwaarfase zijn betrokken en die pas in beroep door de staatssecretaris zijn overgelegd. Bovendien heeft appellant zelf diverse (nietanonieme) getuigenverklaringen ingebracht die een ander beeld van hem schetsen.
4.7.
Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris op basis van de beschikbare gegevens ten onrechte geconcludeerd dat sprake is van wangedrag, bestaande uit het zich inlaten met harddrugs.

Conclusie en gevolgen

4.8.
Het hoger beroep slaagt dus. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en de Raad zal, met gegrondverklaring van het beroep, het bestreden besluit vernietigen en het besluit van 17 juni 2021 herroepen. Dit heeft tot gevolg dat het ontslag ongedaan wordt gemaakt en dat appellant weer in dienst zal zijn bij Defensie.
5. Aanleiding bestaat de staatssecretaris te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand die appellant heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.332,- in bezwaar, [3] € 1.868,- in beroep [4] en € 1.868,- in hoger beroep, [5] in totaal dus € 5.068,-. Appellant krijgt ook het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 463,- terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 13 december 2021;
  • herroept het besluit van 17 juni 2021 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 13 december 2021;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de kosten van appellant tot een bedrag van € 5.068,-;
  • bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 463,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.
(getekend) Y. Sneevliet
(getekend) H. de Brabander

Voetnoten

1.Op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).
2.Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 5 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1149.
3.Eén punt voor het indienen van het bezwaarschrift en één punt voor het verschijnen bij de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,-.
4.Eén punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-.
5.Eén punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-.