Appellant, soldaat der eerste klasse bij de Landmacht, werd ontslagen wegens wangedrag op grond van verdenking van betrokkenheid bij harddrugsgebruik en -handel. Dit ontslag volgde na een besluit van de staatssecretaris en een daaropvolgende bezwaarprocedure. De rechtbank handhaafde het ontslagbesluit, stellende dat de WhatsApp-berichten en eerdere verklaringen voldoende bewijs vormden voor het wangedrag, ondanks een vrijspraak in een strafzaak.
In hoger beroep stelde appellant dat de beschikbare gegevens onvoldoende overtuiging boden dat hij daadwerkelijk harddrugs had gebruikt of wilde kopen. De Raad oordeelde dat de WhatsApp-berichten weliswaar over harddrugs gingen, maar geen bewijs leverden voor daadwerkelijk gebruik of aankoop. Ook het gebruik van een pil op een festival jaren geleden werd door de staatssecretaris zelf als onvoldoende grond voor ontslag beschouwd.
De Raad concludeerde dat het ontslagbesluit niet in stand kon blijven en vernietigde het besluit. Het gevolg is dat het dienstverband van appellant wordt hersteld. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.