Appellante ontving bijstand als alleenstaande en kreeg bijzondere bijstand voor bewindvoering. Het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk ontving een melding dat de dochter van appellante vermoedelijk bij haar verbleef, wat aanleiding gaf tot een onderzoek en een poging tot huisbezoek. Appellante weigerde mee te werken aan het huisbezoek op 1 maart 2023, waarna het college de bijstand introk en terugvorderde. Tevens werd een nieuwe aanvraag afgewezen wegens dezelfde weigering.
De Raad oordeelt dat er geen redelijke grond was voor het huisbezoek, omdat de melding en het daaropvolgende contact met de gemeente Den Haag slechts vermoedens bevatten en geen concrete feiten die twijfel aan de woonsituatie van appellante rechtvaardigden. Bovendien had het college na de verklaring van appellante drieënhalve maand de tijd om nader onderzoek te doen, wat niet is gebeurd. Hierdoor was het intrekken en terugvorderen van de bijstand onterecht.
De Raad vernietigt de bestreden besluiten en herroept de intrekking, terugvordering en afwijzing van de aanvraag. Het recht op bijstand blijft vanaf 1 maart 2023 bestaan. Daarnaast wordt appellante een vergoeding toegekend voor gemaakte kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, en wordt het betaalde griffierecht vergoed.