ECLI:NL:CRVB:2026:117

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
23/171 JW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:10 AwbArt. 7:12 AwbArt. 7:13 AwbArt. 6:2 AwbArt. 8:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit jeugdhulp wegens onzorgvuldige voorbereiding en toekenning schadevergoeding redelijke termijn

Appellant, een minderjarige met ADHD en autisme, vroeg in juni 2021 jeugdhulp aan bij het college van Breda. Het college kende in september 2021 een beperkte voorziening toe, namelijk dagbesteding van vier uur per week, terwijl appellant een bredere hulpvraag had ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk en wees het verzoek om schadevergoeding af.

In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het college na de aanvraag een breder onderzoek had moeten doen en dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het college had niet mogen volstaan met het verzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming zonder eerst een zorgvuldig besluit te nemen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de brede hulpvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen nieuwe aanvraag was.

De Raad kent appellant een schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim vier jaar. De rechtbank wordt onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de brede hulpvraag. Het college moet het betaalde griffierecht vergoeden.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding en appellant krijgt een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/171 JW, 24/1638 JW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 december 2022, 22/919 en 22/3691 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 21 januari 2026
SAMENVATTING
Deze zaak gaat ten eerste over de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college geen dwangsom hoeft te betalen aan appellant wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Ten tweede beoordeelt de Raad het besluit tot toekenning van jeugdhulp. Het college had na de aanvraag in juni 2021 een breder onderzoek moeten doen en naar aanleiding daarvan een besluit moeten nemen. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en berust niet op een deugdelijke motivering. Ten derde beoordeelt de Raad een beroep tegen het niet tijdig beslissen op een vraag voor meer jeugdhulp van 21 september 2021. De Raad oordeelt dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat die hulpvraag moet worden gezien als een nieuwe aanvraag. Het college had het standpunt van appellant dat meer jeugdhulp nodig was moeten beoordelen in het kader van het – ten onrechte achterwege gelaten – breder onderzoek. Het college kon ter zitting niet toelichten waarom de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek is verzocht in plaats van tijdig een zorgvuldig voorbereid besluit te nemen, dat toegang tot de benodigde jeugdhulp en tot de rechter geeft. De Raad is van oordeel dat bij een aanvraag in de zin van de Awb op grond van de Jw, het niet meewerken aan onderzoek of het ontbreken van overeenstemming over de hulpvraag of het in te zetten hulpaanbod niet maakt dat louter om die reden reeds sprake is van een situatie waarin de Raad voor de Kinderbescherming moet worden verzocht onderzoek te doen. Ten slotte bepaalt de Raad dat appellant recht heeft op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de overige gestelde immateriële schade onvoldoende is onderbouwd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn ouder en wettelijk vertegenwoordiger [naam ouder] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 juli 2024. Voor appellant is verschenen zijn ouder, die via videobellen aan de zitting heeft deelgenomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.G.M. Weber-Geboers en C.L. Verbunt.
Het onderzoek is heropend na de zitting.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 november 2025. De zaken zijn gevoegd behandeld met de zaken 24/2200, 24/2201, 24/2202 en 24/2203. Voor appellant is verschenen zijn ouder, die via videobellen aan de zitting heeft deelgenomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Weber-Geboers en Verbunt. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In de zaken 24/2200 tot en met 24/2203 wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
Ter zitting heeft appellant zijn verzoek om schadevergoeding uitgebreid.
Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 2010, ervaart beperkingen vanwege ADHD en autisme. Op 7 juni 2021 is namens appellant jeugdhulp op grond van de Jeugdwet (Jw) aangevraagd. Nadat appellant op 11 augustus 2021 het college in gebreke heeft gesteld voor het niet tijdig nemen van een besluit, heeft appellant op 29 augustus 2021 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag. In op 21 september 2021 heeft appellant gevraagd om de inzet van meer jeugdhulp dan dagbesteding bij AMO, die op 21 september 2021 al mondeling was toegezegd (hierna: ook brede hulpvraag). Het college heeft dat aangemerkt als nieuwe aanvraag.
1.2.
Met een besluit van 22 september 2021 heeft het college een voorziening voor jeugdhulp toegekend. Deze voorziening bestaat uit dagbesteding bij jeugdhulpaanbieder AMO van vier uur per week in de periode van 21 september 2021 tot 20 maart 2022. Het betreft dagbesteding op zaterdag. In het besluit staat dat tijdens deze periode van zes maanden een procesregisseur zal onderzoeken welke jeugdhulp appellant in de toekomst verder nodig heeft. Appellant heeft op 3 november 2021 bezwaar gemaakt tegen dit besluit en daarbij onder meer gesteld dat individuele en groepsbegeleiding wenselijk is.
1.3.
Met een uitspraak van 10 december 2021 heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 22 september 2021 verwezen naar het college om in bezwaar te behandelen. De rechtbank heeft de door het college te betalen dwangsom vastgesteld op € 857,-.
1.4.
Het college heeft op 30 december 2021 en 3 februari 2022 brieven gestuurd aan appellant met het verzoek om mee te werken aan het onderzoek naar passende jeugdhulp.
1.5.
Appellant heeft op 13 januari 2022 het college in gebreke gesteld voor het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Met een brief van 25 januari 2022 heeft het college de beslistermijn op het bezwaarschrift met zes weken verlengd. Appellant heeft op 11 februari 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.
1.6.
Het college heeft de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om onderzoek te doen naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel. Op 29 maart 2022 heeft een zitting plaatsgevonden over een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om appellant onder toezicht te stellen. De kinderrechter heeft een bijzonder curator benoemd om onderzoek te doen.
1.7.
Met een besluit van 14 april 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het college heeft voor de motivering verwezen naar het advies van de Adviescommissie van het Sociaal Domein (commissie). Met het toekennen van de dagbesteding wilde het college een start maken met de jeugdhulp om daarna aanvullend onderzoek te doen naar de bredere hulpvraag. Volgens het college is dit nadere onderzoek niet van de grond gekomen, omdat de communicatie en samenwerking tussen het college en (de ouder van) appellant moeizaam verliep.
1.8.
Op 12 mei 2022 heeft appellant het college in gebreke gesteld voor het niet tijdig nemen van een besluit op de brede hulpvraag van 21 september 2021. Bij besluit van 17 mei 2022 is het verzoek om dwangsom afgewezen. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.
1.9.
Na het – op verzoek van het college verrichte – onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel heeft de kinderrechter het verzoek om appellant onder toezicht te stellen afgewezen met een beschikking van 28 oktober 2022. Dit mede op grond van het bericht van de bijzondere curator dat appellant volgens alle betrokken professionals een positieve ontwikkeling toont en dat een ondertoezichtstelling niet nodig is.
1.10.
Appellant woont vanaf december 2023 niet meer bij de ouder maar bij de vriendin van de andere ouder. Vanaf toen is appellant door de kinderrechter onder toezicht gesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 22 september 2021 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de bredere hulpvraag van 21 september 2021 niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, het volgende overwogen.
2.1.
Het college heeft met het bestreden besluit een beslissing genomen op het bezwaar van appellant. Hierdoor heeft appellant geen belang meer bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Appellant heeft wel nog belang bij het beroep voor zover dit is gericht op het vaststellen van de dwangsom. Toen appellant het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar indiende, was de beslistermijn voor het college nog niet verstreken. Daarom is het college geen dwangsom verschuldigd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hoewel het op zich juist is dat het college niet alleen op het specifieke verzoek voor de dagbesteding maar op de brede hulpvraag diende te beslissen, neemt dit niet weg dat het verzoek om de gevraagde dagbesteding bij een jeugdhulpverlener ondertussen al mocht worden toegekend als dat in de rede lag. Bovendien liep er nog een onderzoek naar de brede hulpvraag. Het door appellant ingediende verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank afgewezen omdat het niet is onderbouwd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de brede hulpvraag van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat er – kort samengevat – ten tijde van de ingebrekestelling op 12 mei 2022 en het instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op 26 juli 2022 – door de intrekking van de aanvraag door appellant op 26 april 2022 – geen aanvraag om jeugdhulp voor appellant meer liep. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard, is de rechtbank niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de dwangsombeschikking van 17 mei 2022, waarbij het college heeft geweigerd appellant een dwangsom toe te kennen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verder beoordeelt de Raad of de rechtbank terecht het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard en het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen. En ten slotte beoordeelt de Raad of de rechtbank terecht het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de brede hulpvraag van appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad beoordeelt dit alles aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de hoger beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep deels slaagt en deels niet slaagt. De regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 22 september 2021
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen dwangsom heeft toegekend. Toen appellant het beroep indiende tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar, was de beslistermijn wel degelijk verstreken. Volgens appellant gaat het college ten onrechte uit van een beslistermijn van twaalf weken. Het college heeft namelijk geen commissie ingeschakeld, zoals bedoeld in artikel 7:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In de gemeentelijke regels over het behandelen van bezwaarschriften staat dat belanghebbenden bij besluiten over de Jw door de commissie worden gehoord. [1] Dat is hier ook gebeurd. Dit is een commissie zoals bedoeld in artikel 7:13 van Pro de Awb. Op het moment dat appellant het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar indiende, was de beslistermijn niet verstreken. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat het college geen dwangsom hoeft te betalen en het beroep op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep tegen het bestreden besluit over de jeugdhulpverlening
4.3.
Niet in geschil is dat het college na de aanvraag om jeugdhulp geen onderzoek heeft verricht, terwijl dit wel had gemoeten. Weliswaar heeft het college twee brieven gestuurd om appellant aan te sporen om mee te werken maar dit was pas geruime tijd na het besluit van 22 september 2021. Ter zitting heeft het college erkend dat dit toen niet goed is gegaan en dat eerder een breder onderzoek had moeten worden opgestart, er meer jeugdhulp had moeten worden ingezet en naar aanleiding daarvan een besluit had moeten worden genomen. Het alsnog verrichten van dit onderzoek is volgens het college niet meer mogelijk, omdat het gaat om jeugdhulp over een afgesloten periode en appellant inmiddels onder toezicht is geplaatst.
4.4.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden. [2]
4.5.
In dit geval acht de Raad niet op voorhand onaannemelijk dat appellant ten gevolge van het uitblijven van het brede onderzoek en de juiste jeugdhulp schade heeft geleden. Niet in geschil is dat bij een juiste wijze van afhandelen van de aanvraag eerder meer jeugdhulp zou zijn verleend en voorts is uiteindelijk een kinderbeschermingsmaatregel getroffen. Dat betekent dat appellant procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
4.6.
Uit wat hiervoor is overwogen in 4.3 vloeit voort dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en berust niet op een deugdelijke motivering. In aanvulling daarop wordt als volgt overwogen. In een brief van 30 december 2021 heeft een “teammanager Procesregisseurs Jeugd” aan de ouder van appellant geschreven dat het noodzakelijk is dat de ouder alle medewerking verleent en dat als de ouder geen afspraak maakt men zich genoodzaakt acht de aanvraag buiten behandeling te stellen. Zonder de benodigde informatie wordt de gemeente in een onmogelijke positie gebracht en is de gemeente genoodzaakt de Raad voor de Kinderbescherming hierover in kennis te stellen, aldus de teammanager. In het verweerschrift heeft het college de Raad bericht dat het niet is gelukt om overeenstemming met belanghebbende te bereiken omtrent de hulpvraag en het in te zetten hulpaanbod. Dat heeft gemaakt dat het college het noodzakelijk achtte de Raad voor de Kinderbescherming in 2021 te verzoeken onderzoek te doen naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel, aldus het college. De Raad constateert dat de kinderbeschermingsmaatregel destijds echter, zoals blijkt uit 1.9, is afgewezen. [3] Daaruit kan geconcludeerd worden dat het college een verkeerde inschatting heeft gemaakt. Dit terwijl het college ter zitting heeft erkend dat de aanvraag om jeugdhulp niet tijdig en volledig is behandeld en dat bij een juiste wijze van behandelen eerder meer jeugdhulp zou zijn verleend, zoals de jeugdige ook wenste. Het college kon ter zitting niet toelichten waarom de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek is verzocht in plaats van tijdig een zorgvuldig voorbereid besluit te nemen, dat toegang tot de benodigde jeugdhulp en tot de rechter geeft. De Raad is van oordeel dat bij een aanvraag in de zin van de Awb op grond van de Jw, het niet meewerken aan onderzoek of het ontbreken van overeenstemming over de hulpvraag of het in te zetten hulpaanbod niet maakt dat louter om die reden reeds sprake is van een situatie waarin de Raad voor de Kinderbescherming moet worden verzocht onderzoek te doen. Het college heeft dit ter zitting ook bevestigd. Jeugdigen en hun ouders kunnen ervoor kiezen geen aanvraag in te dienen, hun aanvraag in te trekken of jeugdhulp buiten de (toepassing van de) Jw om te betrekken. De jeugdhulp op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Jw en de Awb is immers niet verplicht en artikel 2.3 van de Jw kent bovendien uitdrukkelijk de inzet van de eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen. Verder bepaalt artikel 2.3, vijfde lid, van de Jw dat ouders en jeugdigen voor zover redelijkerwijs mogelijk keuzevrijheid wordt geboden met betrekking tot de activiteiten van jeugdhulp. De Raad is van oordeel dat met de brief van 30 december 2021 en dus bij de voorbereiding van het bestreden besluit, de in artikel 2.4 van de Jw neergelegde bevoegdheid voor een ander doel is gebruikt dan waarvoor zij is verleend. Dat is niet onderkend in het bestreden besluit. Een verzoek als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de Jw dient alleen te worden aangekondigd of gedaan als aan de criteria daarvoor is voldaan.
4.7.
Het hoger beroep slaagt om die redenen. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak dienen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Gelet op wat is overwogen in 4.3 zal de Raad volstaan met de vernietiging van het bestreden besluit en het college niet opdragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de brede hulpvraag van 21 september 2021
4.8.
Appellant heeft aangevoerd dat de ingebrekestelling terecht was en de dwangsom is verbeurd. De Raad volgt appellant daarin niet. In een e-mailbericht van 16 september 2021 van de juridisch kwaliteitsmedewerker jeugd aan onder meer (de ouder van) appellant geeft eerstgenoemde weer, hetgeen telefonisch is besproken die dag, dus nog voor het besluit van 21 september 2021. Volgens deze medewerker heeft de ouder van appellant gesteld dat meer jeugdhulp nodig is voor appellant dan vier uur per week dagbesteding voor een periode van zes maanden die het college wilde gaan vastleggen in een besluit. Deze medewerker heeft dat meerdere bestempeld als een aanvullende hulpvraag. Dit is niet juist. Gelet op de aanvraag van 7 juni 2021 had het college dit standpunt van appellant moeten betrekken bij het – ten onrechte achterwege gelaten – brede onderzoek.
4.9.
Nu moet worden aangenomen dat appellant geen afzonderlijke aanvraag heeft ingediend, is er ook geen sprake van het op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. Dit betekent dat appellant ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, geen beroep kon instellen. [4]
4.10.
Hieruit volgt dat de rechtbank onbevoegd was kennis te nemen van dit beroep. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.
Verzoek om schadevergoeding ten gevolge van de besluitvorming
4.11.
Appellant heeft aangevoerd dat hij schade heeft geleden als gevolg van de besluitvorming. Als hij toen de juiste jeugdhulp had gekregen, had het allemaal voorkomen kunnen worden. Het college is voorbijgegaan aan de belangen van het kind.
4.12.
Uit wat ter zitting is besproken, begrijpt de Raad dat appellant louter verzoekt om een vergoeding van immateriële schade. Degene die om een vergoeding van immateriële schade verzoekt, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarvoor is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. [5]
4.13.
De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen omdat appellant dit niet had onderbouwd. Ook in hoger beroep heeft appellant onvoldoende aanknopingspunten aangedragen om te onderbouwen dat hij door de besluitvorming, behalve de immateriële schade door de overschrijding van de redelijke termijn, geestelijk letsel heeft opgelopen.
Verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding redelijke termijn.
4.14.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
4.15.
In dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 3 november 2021 tot de datum van deze uitspraak op 7 januari 2026 zijn vier jaar en ongeveer twee maanden verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus in totaal met twee maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is in de rechterlijke fase geschonden. In beginsel is een vergoeding van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden passend. De Raad kent aan appellant daarom een schadevergoeding toe van € 500,-, te betalen door de Staat.

Conclusie en gevolgen

4.16.
Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, voor zover dit is gericht tegen het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep slaagt voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit. Uit 4.8 tot en met 4.10 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover deze betrekking heeft op het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de brede hulpvraag van appellant. De Raad zal de rechtbank onbevoegd verklaren om kennis te nemen van dit beroep. Uit 4.11 tot en met 4.13 volgt dat de rechtbank terecht het verzoek om schadevergoeding als gevolg van de besluitvorming, heeft afgewezen. Uit 4.14 en 4.15 volgt dat appellant recht heeft op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500,- ten laste van de Staat.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
6. Omdat de aangevallen uitspraak grotendeels wordt vernietigd moet het college het betaalde griffierecht aan appellant vergoeden, zowel voor beroep als hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 22 september 2021 niet-ontvankelijk is verklaard en voor zover het verzoek om schadevergoeding ten gevolge van de besluitvorming is afgewezen;
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 14 april 2022 gegrond en vernietigt dat besluit;
  • verklaart de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen niet tijdig beslissen op de brede hulpvraag van september 2021;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 236,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en B. Serno en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) J. Bonnema

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:10
1. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is Pro ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
2. De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te Pro herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
3. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.
4. Verder uitstel is mogelijk voor zover:
a. alle belanghebbenden daarmee instemmen,
b. de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad, of
c. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.
5. Indien toepassing is gegeven aan het tweede, derde of vierde lid, doet het bestuursorgaan hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbenden.
Artikel 7:13
1. Dit artikel is van toepassing indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld:
a. die bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden,
b. waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan en
c. die voldoet aan eventueel bij wettelijk voorschrift gestelde andere eisen.
2. Indien een commissie over het bezwaar zal adviseren, deelt het bestuursorgaan dit zo spoedig mogelijk mede aan de indiener van het bezwaarschrift.
3. Het horen geschiedt door de commissie. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.
4. De commissie beslist over de toepassing van artikel 7:4, zesde lid, van artikel 7:5, tweede lid, en, voor zover bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald, van artikel 7:3.
5. Een vertegenwoordiger van het bestuursorgaan wordt voor het horen uitgenodigd en wordt in de gelegenheid gesteld een toelichting op het standpunt van het bestuursorgaan te geven.
6. Het advies van de commissie wordt schriftelijk uitgebracht en bevat een verslag van het horen.
7. Indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden.
Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda houdende regels omtrent behandeling van bezwaarschriften Reglement behandeling bezwaarschriften
Artikel 3 Vormen Pro van horen
1. Belanghebbende heeft het recht om naar aanleiding van een bezwaarschrift te worden gehoord, tenzij daarvan wordt afgezien op grond van artikel 7:3 Awb Pro. Aan belanghebbende wordt gevraagd of hij/zij van deze mogelijkheid gebruik wenst te maken.
Het college kent twee vormen van horen:
  • ambtelijk horen (hoofdstuk 2 van dit reglement)
  • horen door de commissie (hoofdstuk 3 van dit reglement)
2. Belanghebbende wordt ambtelijk gehoord, tenzij de aard van het bezwaarschrift met zich meebrengt dat belanghebbende wordt gehoord door de kamer zorg en participatie. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan politieke gevoelige of complexe bezwaarschriften. De juridisch medewerker maakt deze afweging. Belanghebbenden van bezwaarschriften gericht tegen een primair besluit gebaseerd op de Jeugdwet en de daarop gebaseerde gemeentelijke verordening en regelingen, worden niet ambtelijk gehoord. Zij worden gehoord door de kamer jeugd.
3. Aan de betreffende kamer van de commissie wordt gevraagd om, al dan niet na het horen van belanghebbende (zie artikel 3 lid Pro 1), een advies aan het college uit te brengen.
Jeugdwet
Artikel 2.3
1. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:
a. gezond en veilig op te groeien;
b. te groeien naar zelfstandigheid, en
c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,
rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
2. Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.
3. Indien een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, aangewezen is op permanent toezicht en die jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1, onder 2° of 3°, of verpleging als bedoeld bij of krachtens artikel 11 van Pro de Zorgverzekeringswet ontvangt, treft het college indien naar zijn oordeel noodzakelijk, voorzieningen die de ouders in staat stellen hun rol als verzorgers en opvoeders te blijven vervullen.
4. Het college houdt bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening met:
a. behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en
b. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.
5. Voor zover redelijkerwijs mogelijk, wordt de jeugdige en zijn ouders keuzevrijheid geboden met betrekking tot de activiteiten van jeugdhulp.
(…)
Artikel 2.4
1. Zodra het college tot het oordeel komt dat een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente overwogen moet worden, doet het college een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming.

Voetnoten

1.Artikel 3 van Pro het Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda houdende regels omtrent behandeling van bezwaarschriften Reglement behandeling bezwaarschriften.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1699.