Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant had in 2013 meerdere bijstandsaanvragen ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van Almere werden afgewezen. Na bezwaar en beroep werd op 29 april 2015 een uitspraak gedaan waarbij een deel van het beroep gegrond werd verklaard. Appellant en het college bereikten in 2017 een schikking waarbij het college bijstand verleende over de periode van 25 juli 2013 tot en met 5 maart 2014 en appellant het hoger beroep introk.
In 2022 vroeg appellant herziening van de uitspraak van 2015, maar de rechtbank wees dit verzoek af omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangedragen en het verzoek onredelijk laat was ingediend. Appellant stelde dat hij onjuist was geïnformeerd en dat fouten in de eerdere procedure tot onrecht hadden geleid met ernstige financiële en gezondheidsgevolgen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant geen procesbelang had bij het hoger beroep, omdat hij met deze procedure niets kon bereiken dat feitelijke betekenis voor hem heeft. Het principiële belang dat appellant stelde was onvoldoende. Ook kon appellant met dit hoger beroep de eerder gesloten schikking niet ongedaan maken.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees hij het verzoek om vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door rechter W.F. Claessens op 7 januari 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.