ECLI:NL:CRVB:2025:771
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toekenning bijstand met terugwerkende kracht zonder bijzondere omstandigheden
Appellant ontving sinds 19 november 2018 een IVA-uitkering en vroeg op 27 september 2018 bijstand aan, die buiten behandeling werd gesteld. Op 7 september 2021 vroeg hij opnieuw bijstand aan met terugwerkende kracht vanaf 7 september 2020, welke werd toegekend door het college. Het college stelde later dat deze terugwerkende toekenning abusievelijk was en weigerde bijstand toe te kennen vanaf 19 november 2018, de datum van de eerdere aanvraag.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. De Raad oordeelde dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die een eerdere toekenning rechtvaardigen. De medische gegevens van appellant en de situatie van zijn echtgenote boden onvoldoende grond om aan te nemen dat hij niet eerder kon aanvragen. Ook was er geen bewuste standpuntbepaling van het college waarop appellant gerechtvaardigd vertrouwen kon baseren.
De Raad bevestigde dat bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt toegekend vóór de datum van aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Omdat appellant deze niet aannemelijk maakte, bleef het besluit in stand. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De bijstand wordt toegekend vanaf 7 september 2020 en niet met terugwerkende kracht tot 19 november 2018 wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.