ECLI:NL:CRVB:2025:741
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate arbeidsongeschiktheid en geschiktheid functies onder WIA
Appellant, die sinds 2011 arbeidsongeschikt is, heeft meerdere keren een WIA-uitkering aangevraagd en herbeoordelingen ondergaan. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid uiteindelijk vastgesteld op 76,71% per 1 juli 2019, gebaseerd op medische en arbeidskundige rapporten. De rechtbanken oordeelden dat de functies productie- en montagemedewerker, assembly operator en bestelautochauffeur geschikt zijn voor appellant, hoewel aanvankelijk twijfel bestond over de laatste functie.
In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn combinatie van aandoeningen (bursitis linkerheup, COPD, darm- en psychische klachten) onvoldoende werd meegewogen. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die na uitgebreid onderzoek concludeerde dat appellant meer beperkingen heeft dan eerder vastgesteld, maar dat de geselecteerde functies passend blijven.
De Raad volgde het oordeel van de deskundige en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, oordeelde dat het bestreden besluit pas in hoger beroep een toereikende medische onderbouwing kreeg en paste de schending van artikel 7:12 Awb Pro toe met artikel 6:22 Awb Pro. Het hoger beroep werd afgewezen, het Uwv werd veroordeeld tot proceskostenvergoeding en het griffierecht werd aan appellant vergoed.
Uitkomst: De Raad bevestigt de vaststelling van 76,71% arbeidsongeschiktheid en de geschiktheid van de geselecteerde functies, wijst het hoger beroep af en veroordeelt het Uwv in de proceskosten.