Betrokkene was werkzaam bij twee werkgevers met verschillende loonaangifteperioden, wat leidde tot een onjuiste dagloonberekening voor zijn WW-uitkering per 1 november 2021. Het UWV stelde het dagloon vast op €117,57, waarbij ook de dagloondagen van november 2020 werden meegeteld, hoewel betrokkene in die maand niet werkte.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het bestreden besluit, omdat de strikte toepassing van artikel 5, zesde lid, van het Dagloonbesluit leidde tot een onredelijk bezwarende uitkomst. Het UWV ging hiertegen in hoger beroep, maar de Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat bijzondere omstandigheden de toepassing van het algemeen verbindend voorschrift onevenredig maken.
De Raad benadrukte dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet zijn van de welvaart in de referteperiode en dat maanden zonder loon buiten beschouwing moeten blijven. Door de verschillende aangiftetijdvakken werd het loon van oktober 2020 bij de ene werkgever toegerekend aan oktober en bij de andere aan november, waardoor november ten onrechte werd meegeteld.
De Raad bevestigde dat het bestreden besluit onredelijk bezwarend is en dat het UWV de dagloondagen van november 2020 buiten de berekening moet laten. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van betrokkene en bepaalde dat het UWV griffierecht in hoger beroep moet betalen.