ECLI:NL:CRVB:2025:667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens niet-duurzaam ontbreken arbeidsvermogen
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan wegens autisme en een lichte verstandelijke beperking, waarbij hij stelde duurzaam arbeidsongeschikt te zijn. Het Uwv weigerde de uitkering omdat uit onderzoek bleek dat appellant op dat moment geen arbeidsvermogen had, maar deze situatie niet duurzaam was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat het Uwv voldoende had gemotiveerd dat appellant mogelijkheden heeft om zijn arbeidsvermogen te ontwikkelen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het Uwv onvoldoende had onderbouwd waarom behandelingen tot arbeidsvermogen zouden leiden en dat zijn situatie vergelijkbaar was met een eerdere uitspraak waarin sprake was van onvermogen zich open te stellen voor behandeling. De Raad oordeelde dat deze situatie niet vergelijkbaar was en dat appellant geen medische stukken had overgelegd die het onvermogen tot openstelling voor behandeling onderbouwden.
De Raad bevestigde dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is zolang er perspectief is op ontwikkeling van basale werknemersvaardigheden. Het Uwv hoefde niet te bewijzen dat appellant in de toekomst arbeidsvermogen zal hebben, maar moest aannemelijk maken dat dit niet uitgesloten is. De Raad concludeerde dat het Uwv dit had gedaan en dat appellant daarom niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt.
Het hoger beroep werd afgewezen, waarmee de weigering van de Wajong-uitkering in stand bleef. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellant niet duurzaam arbeidsongeschikt is.