ECLI:NL:CRVB:2025:58
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij voorschot WIA-uitkering
Appellante, een werkgever, maakte bezwaar tegen een door het UWV toegekend voorschot op een WIA-uitkering aan een ex-werkneemster. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellante geen concreet procesbelang had, aangezien zij geen eigenrisicodrager was en het voorschot geen directe invloed had op haar premieverplichtingen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat er geen wettelijke grondslag is voor het toekennen van voorschotten en dat de wijze van voorschotverstrekking in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht. De Raad bevestigde echter dat het enkele feit dat een werkgever categoraal belanghebbende is niet automatisch betekent dat er een concreet procesbelang is.
De Raad oordeelde dat het voorschot gelijk is aan de toegekende WIA-uitkering en dat een oordeel over de rechtmatigheid van het voorschot geen feitelijke betekenis heeft voor appellante. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen vanwege het ontbreken van voldoende onderbouwing van schade. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.