ECLI:NL:CRVB:2019:2156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens vervallen procesbelang bij WIA-uitkering
Een werkgever (appellante) maakte bezwaar tegen een UWV-besluit waarbij aan een voormalig werknemer een WGA-uitkering werd toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 100%, terwijl zij meende dat de arbeidsongeschiktheid duurzaam was en een IVA-uitkering op zijn plaats was. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank bevestigde dit oordeel.
De werkgever stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Tijdens het hoger beroep gaf de werkgever aan dat haar belang bij de toekenning van een IVA-uitkering was komen te vervallen, omdat de verzekeraar van de wederpartij de schade volledig had vergoed en de Belastingdienst de premiepercentages Werkhervattingskas (Whk) voor 2016 en 2017 had herzien.
De Raad concludeerde dat het financiële belang van de werkgever door deze ontwikkelingen was weggevallen, waardoor er geen concreet procesbelang meer bestond om het hoger beroep voort te zetten. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een concreet procesbelang.