ECLI:NL:CRVB:2020:2995

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 november 2020
Publicatiedatum
1 december 2020
Zaaknummer
19/1648 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden

Appellant had een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden ontvangen voor de periode van 1 mei 2017 tot 30 april 2019. Het college van burgemeester en wethouders van Oldambt herzag dit besluit per 1 juli 2018 omdat appellant gebruikelijke hulp van zijn huisgenote ontving. Het bezwaar van appellant tegen deze herziening werd ongegrond verklaard door het college en bevestigd door de rechtbank.

In hoger beroep stelde appellant dat hij mocht vertrouwen op de toekenning van de voorziening voor de gehele periode en dat ten onrechte geen overgangstermijn van drie maanden was toegepast. De Raad beoordeelde ambtshalve of appellant voldoende procesbelang had bij het hoger beroep. Gezien de verslechterde situatie van appellant en zijn verblijf in een verzorgingstehuis, en het feit dat het betwiste besluit betrekking had op een reeds verstreken periode, concludeerde de Raad dat appellant geen belang had bij een inhoudelijke beoordeling.

Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 25 november 2020.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

19 1648 WMO15

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Datum uitspraak: 25 november 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
1 maart 2019, 18/3645 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Oldambt (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.R. Kamps, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, via videobellen, plaatsgevonden op 14 oktober 2020. Namens appellant is mr. L.A.M. van der Geld, opvolgend gemachtigde, verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 9 mei 2017 heeft het college aan appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 voor de periode van 1 mei 2017 tot 30 april 2019 voor tien uur per week een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden verstrekt, in de vorm van een persoonsgebonden budget.
1.2.
Bij besluit van 5 juni 2018 heeft het college het besluit van 9 mei 2017 tot verstrekking van de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp herzien per 1 juli 2018. Appellant komt niet meer in aanmerking voor de verstrekte voorziening aangezien sprake is van gebruikelijke hulp door zijn huisgenote. Bij besluit op bezwaar van 6 november 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 juni 2018 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het college als gevolg van een fout aan appellant destijds een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden heeft verstrekt. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2018:743) heeft de rechtbank overwogen dat een bestuursorgaan in beginsel gemaakte fouten mag herstellen, indien het daartoe strekkende besluit niet in strijd komt met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van schending van rechtsregels of algemene rechtsbeginselen.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de door het college gemaakte fout niet voor zijn rekening dient te komen, aangezien er in zijn feitelijke situatie niets veranderd is. Appellant mocht erop vertrouwen dat hij recht had op de maatwerkvoorziening gedurende de periode van 1 mei 2017 tot 30 april 2019. Verder heeft appellant aangevoerd dat ten onrechte geen overgangstermijn van drie maanden is gehanteerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Allereerst moet ambtshalve de vraag worden beantwoord of appellant voldoende procesbelang heeft. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887) is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
4.2.
De Raad stelt vast dat het geschil de beoordeling betreft van een reeds verstreken periode. Gebleken is dat sinds de zitting bij de rechtbank in februari 2019 de situatie van appellant is verslechterd en hij woonachtig is in een verzorgingstehuis. Er is dan ook geen sprake van een situatie waarin een inhoudelijke beoordeling van de in geschil zijnde maatwerkvoorziening nog van belang kan zijn voor een verstrekking van een maatwerkvoorziening in de toekomst.
Verder is niet gebleken dat een betalingsverplichting voor appellant is ontstaan vanwege de door de huisgenote ook na 1 juli 2018 geleverde huishoudelijke hulp. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat appellant enig belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.
4.3.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en H. Benek en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van F. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2020.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) F. Boon