Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
23 augustus 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak betwist appellante de toekenning van een voorschot op een WIA-uitkering aan een ex-werkneemster. Het UWV kende op 29 augustus 2022 een voorschot toe vanwege het uitblijven van een tijdig besluit over de WIA-uitkering. Dit voorschot werd later omgezet in een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht het voorschot had toegekend op basis van redelijke verwachtingen en beschikbare informatie, conform artikel 4:95 Awb Pro. Appellante stelde in hoger beroep dat er geen wettelijke grondslag voor het voorschot bestaat en dat het UWV onrechtmatig heeft gehandeld.
De Raad overwoog dat appellante als niet-eigenrisicodrager geen concreet belang heeft bij het beroep, omdat de gevolgen van de uitkering slechts via de gedifferentieerde WGA-premie spelen. Het formele of principiële belang dat appellante aanvoert is onvoldoende voor procesbelang. Ook is het onaannemelijk dat appellante schade heeft geleden.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.